Vloerbekleding

Zachte vloerbekledingen hebben het grote voordeel dat ze warm aanvoelen, geluidsabsorberend zijn en weinig dikte hebben.
Bij zachte vloerbekledingen denken we meestal eerst aan tapijten. Op milieugebied gaat bij tapijten onze aandacht vooral zowel naar de samenstelling van de bovenzijde: gebruikte vezels, kleuren,… als de rugzijde: kunststof rug of natuurvezels. Verder besteden we natuurlijk ook aandacht aan het verlijmen van vasttapijt. Hiervoor bestaan ondertussen ook milieuvriendelijker technieken.
Om onderhoudsvriendelijke redenen wordt hier ook veel gekozen voor kunststof vloerbekledingen, zoals vinyl. Hierin spelen natuurlijk de oorsprong en de recyclagemogelijkheden van de kunststof een grote rol in de levenscyclusanalyse. Linoleum en kurk of samengestelde vloeren hiermee, hebben dan wel een natuurlijke oorsprong, maar de behandeling met vernissen en andere brengt de milieuvriendelijkheid vaak in het gedrang.

PU(R) Polyurethaan

OMSCHRIJVING:
PU of PUR is polyurethaan en is een thermoharder.

TOEPASSING:
PUR wordt gebruikt als (zacht) schuim voor matrassen en zittingen, (hard) schuim voor isolatie en kierdichting en door zijn kleverige hechting wordt PUR ook gebruikt in sandwichpanelen en geïsoleerde deuren. Omwille van elstische en krasbestendige eigenschappen wordt PU gegoten als afwerklaag bij gietvloeren.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Ontginning:
Voor de productie van PUR worden de volgende stoffen gebruikt: propeen- en etheendioxide, ethyleenglycol, fosgeen, adipinezuur, tolueendiamine, benzeen en MDI of TDI. (benzeen is schadelijk voor de gezondheid).

Verwerking:
Net als bij PS werden in PUR tot 1997 als blaasmiddel CFK’s gebruikt (ondertussen verboden wegens aantasting ozonlaag). Tegenwoordig bestaan er twee geschuimde PUR-soorten, onderscheiden door hun blaasmiddel: PUR met HCFK's (die nog steeds de ozonlaag aantasten) en PUR met pentaan (iets milieuvriendelijker).

Gebruik:
PUR is tamelijk agressief voor de huid (het verkleeft en trekt erin).

De afvalfase
PUR kan in de vorm van isolatieplaat en dergelijke hergebruikt worden.
Het grote probleem is er als PUR gescheiden moet worden (bijvoorbeeld sandwichpanelen), dan worden alle onderdelen waaraan PUR zit verkleefd chemisch afval.
Bij verbranding van PUR komt het voor mens en milieu schadelijke blauwzuurgas vrij (cyaanwaterstof=HCN).

Samengevat: Zoals bij andere kunststoffen is ook dit materiaal niet de eerste keuze die kan gemaakt worden, een zeer schadelijk productieproces en vooral de afvalfase is nefast voor de levenscyclusanalyse. Natuurlijker (isolatie)materialen zijn aangewezen. Ook kunststoffen uit milieuvriendelijker grondstoffen (milieukader 1) en die beter recycleerbaar zijn genieten de voorkeur. Bij de keuze voor kunststoffen moet de levensduur nagegaan worden en voorkeur gegeven worden aan thermoplasten, wegens de recycleerbaarheid.


MILIEUKADER:
Milieukader 3: petrochemische grondstoffen.

Tapijt

Tapijt bestaat uit een onderlaag (de rug) en een bovenlaag (de pool). Tapijten worden geweven of getuft.

-Synthetisch: De rug kan bestaan uit: jute, PVC, polyurethaan, polypropyleen, rubber of kunststofschuim
De pool meestal uit: polyamide, acryl, polypropyleen en wol.
-Natuurtapijt kan uit geitenhaar bestaan. Van de vloerbekledingen vervaardigd uit plantaardige vezels zijn sisalvezels de meest geraffineerde. Kokosvezels zijn stevig en ongevoelig voor bacteriën.

TOEPASSING:
Tapijt kan kamerbreed of volgens bepaalde afmetingen aangeschaft worden. Door de (mogelijk) geringe dikte is het dikwijls een keuze (naast linoleum of kurk bijv.) als er al een ondervloer ligt of voor de sfeer en de warmte.
Microörganismen zoals sporenelementen, stofmijten en schimmels kunnen op verschillende manieren in tapijt terecht komen en zo een bron vormen van allergieën, ademhalingsproblemen en infecties. Synthetische tapijten trekken veel stof aan, maar zijn minder gevoelig aan huisstofmijt.

Een hoge luchtvochtigheid bevordert huisstofmijt. Voor ruimtes met een hoge luchtvochtigheid zijn wollen tapijten niet geschikt.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Ontginning:
De kunststof voor synthetisch tapijt wordt gemaakt uit aardolie (zie beschrijving op deze site van PVC, PP, PUR). Bij de teelt van (niet biologisch) katoen worden meestal grote hoeveelheden bestrijdingsmiddelen gebruikt. Heel vaak is tapijt ook een reservoir van pesticiden, onder meer mottenwerende middelen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij veel wollen tapijten.

Productie:
Tijdens het productieproces worden producten tegen statische elektriciteit, brandwerende middelen enz. toegevoegd. Bijvoorbeeld dienen gebromeerde vlamvertragers om de ontvlambaarheid van het textiel te verminderen. (Maar deze stoffen zijn persistent en kunnen bio accumuleren: dit wil zeggen dat ze op korte termijn niet verdwijnen maar opgestapeld worden, dus steeds vermeerderen. Er zijn verschillende hormoonverstorende effecten gekend. Bron: Vibe).

De rug van het tapijt kan schadelijke stoffen bevatten zoals formaldehyde of bepaalde vluchtig organische stoffen (VOS), bijvoorbeeld koolwaterstoffen (benzeen, tolueen, xyleen).
De kleurstoffen en pigmenten in tapijten kunnen zware metalen en andere chemische stoffen bevatten.
Bij wollen tapijten zijn vaak nog pesticiden (bijv. mottenwerende middelen) aanwezig.

Tapijten met plantaardige vezels kennen geen emissies van schadelijke stoffen, op voorwaarde dat ze niet verlijmd zijn of verlijmd zijn met lijmen die geen of een zwakke emissie hebben.
De productie van polyamide tapijt kost drie maal zoveel energie als de productie van wol.

Plaatsing:
Tapijten kunnen los gelegd worden. Voor het plaatsen van vasttapijt wordt heel de ondergrond ingelijmd, zeer belangrijk onderdeel dus. Over lijmen vindt u meer in de fiche ‘Lijmen voor muur- en vloerbekledingen’ van Vibe vzw.
Milieuvriendelijker is het vastzetten met klittenband of beter het opspannen.

Gebruik:
Ook het onderhoud van tapijt kan problematisch zijn. Tapijt wordt vaak gestofzuigd. Bij het stofzuigen worden wel de grotere stofdeeltjes opgezogen, maar het fijnste stof, bacteriën enz. wordt terug in de ruimte geblazen. Een HEPA-filter (om het half jaar te vervangen) of een centraal stofzuigsysteem brengt geen stof in de omgeving. Chemische reinigingsmiddelen worden beter vermeden (kan ook met een eenvoudig zeepsopje), alleszins moet goed verlucht worden.

Samengevat: Beste keuze voor tapijten: geen synthetische maar natuurlijke, nagroeibare materialen zoals wol, geitenhaar, zeegras, sisal, kokos en bij voorkeur met een eco-label zoals: het GUT-label (garanderen een minimale uitstoot). Het RUGMARK-label garandeert daar bovenop ook productie zonder kinderarbeid.

Alternatief: Getufte tapijten hebben een onderlaag van jute (geen PVC), beter dan synthetische materialen of een mengeling met vezels van dierlijke oorsprong.

Indien lijm gebruikt wordt moet deze vrij zijn van schadelijke stoffen zoals acrylamide, acrylnitrile, vinylacetaat, benzeen, dioxaan, methanol, ethanol (met label EMICODE EC1).

MILIEUKADER:
Milieukader 1: nagroeibare grondstoffen
Milieukader 3: petrochemische grondstoffen.

Asbestvinyl

Tot in de jaren 70 en begin jaren 80 werd gebruik gemaakt van asbesthoudende vinylvloeren. Men herkent ze aan hun zwarte onderzijde en hun breekbaarheid bij buiging. Het zijn harde, dunne, meestal gevlamde tegels. Ze zijn ook meestal bevestigd met asbesthoudende lijm.

Ook onder vloerbedekkingen van vinyl (zowel zeil als tegels) werd dikwijls een laag asbestvilt of asbestkarton aangebracht, dat voor 70 tot 80 % bestond uit asbest.

TOEPASSING:
Vooral veel toegepast in schoolgebouwen.
Ook de rugkant van ‘cushion-vinyl’- vloer- en wandbekleding bevatte asbestvezels.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Probleem:
Asbest heeft de eigenschap om zich in uiterst fijne vezeltjes te splitsen, die gemakkelijk ingeademd worden. In de longen veroorzaken ze heel ernstige ziektes zoals asbestose en longkanker.

Verwijderen:
Wanneer asbestproducten intact blijven, kunnen ze soms behouden blijven. Belangrijk is dat er geen vezels loskomen! Dus breken, scheuren, afspuiten met een hogedrukreiniger, kortom VERWIJDEREN DAT SAMEN KAN GAAN MET HET LOSKOMEN VAN ASBESTVEZELS, MOET VERMEDEN WORDEN.
Alle info vindt u in de brochure van de federale overheid: ‘asbest in en om het huis’. asbest, en nu? (provincie Vlaams-Brabant) en op: lucht.milieuinfo.

Samengevat: Zolang deze vloerbekledingen intact zijn en het asbest in gebonden toestand is, vormen ze geen probleem. Verwijdering ervan zonder voorzorgen kan een sterke blootstelling van asbestvezels tot gevolg hebben. Vraag meer info en besteed deze werken uit aan specialisten.
Een lijst van gespecialeerde aannemers kan u hier vinden.

MILIEUKADER:
Wordt niet meer gebruikt.

Kurk

De grondstof voor kurkvloer en kurkparket is de schors van de kurkeik. Bij verwarming komt in kurk het aanwezige lignine vrij, dat voor de binding zorgt.
Kurkparket kan gelijmd of zwevend gelegd worden.

Laminaat’ uit kurk: dit zijn legklare panelen van 10 of 11 mm dik, opgebouwd uit een onderlaag in kurk, een tussenlaag in MDF en een bovenlaag in kurk voorzien van een slijtlaag (vaak vinyl). De panelen klikken in elkaar, waardoor lijm overbodig wordt.

TOEPASSING:
Vloer- en wandbedekking.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Winning:
De kurkeiken worden ontschorst en de schors groeit daarna weer aan.

Transport:
Kurk komt meestal uit landen rond het Middelandse Zeegebied (Portugal, Spanje, Sardinïe).

Verwerking:
Bij natuurkurk worden fijne kurkkorrels geperst met het hars van cashewnoten als bindmiddel. Ook kunsthars wordt gebruikt voor het persen van kurkvloeren. De vloer kan afgewerkt worden met olie of was.
De productie van kurklaminaat kost meer energie dan kurkparket. Bovendien bevat de vinyl slijtlaag PVC .

Afwerking:
Voorkeur gaat naar olie of was, maar vaak wordt onbehandeld kurkparket afgewerkt met een beschermende laag niet-natuurlijke lak. Watergedragen acrylaatlak geeft in dit geval de minste milieubelasting. Urethaanalkydlak en polyurethaanlak bevatten milieu- en gebruikersonvriendelijke oplosmiddelen. (De samenstelling van de lak staat op het etiket).

Let wel op: het merendeel van de verkochte kurkvloeren zijn al vooraf afgewerkt met (niet-natuurlijke) lakken en afwerkingsmiddelen.

Gebruik:
Naar gezondheid toe hebben kurkvloeren een aantal voordelen. Zo zijn ze, net als linoleum, warmte-isolerend en geluiddempend, vochtbestendig en antistatisch, waardoor ze minder stof aantrekken, en hebben ze een ademend vermogen.
Niet natuurlijke afwerkingslagen doen het ademend vermogen teniet! Ook door de toevoeging van kunstharsen gaan een deel van de positieve natuurlijke eigenschappen van kurk verloren.

De afvalfase:
Kurk kan vermalen worden tot schroot, waarna door verwarming, het weer wordt gebonden.

Samengevat: Kurk bestaat uit natuurlijke, nagroeibare grondstoffen en is een milieuvriendelijk alternatief voor kunststof vloerbekledingen.
Vloerbekledingen met het Nature Plus label hebben de voorkeur, indien mogelijk geplaatst zonder verlijming. Voor kurken vloeren bestaat er het ‘Kork-Logo’, ontstaan in 1999 uit een samenwerkingsverband tussen de Duitse kurkvereniging (Deutschen Kork- Verband e.v.) en het ECO-Umweltinstitut GmbH.
Producten die dit logo dragen bevatten geen weekmakers, vluchtig organische stoffen en formaldehyde.

Voor de lijmen waarmee de kurk gekleefd wordt verwijzen we naar de fiche ‘Lijmsoorten voor muur-en vloerbekledingen’ van vibe vzw.

MILIEUKADER:
Milieukader 1: Materialen uit nagroeibare grondstoffen.

Linoleum

Lijnolie is het hoofdbestanddeel van linoleum. Andere bestanddelen zijn: jute (voor de rug), (pijn)hars, houtmeel, kalksteen en kurk.
Sommige vloerbekledingen bevatten ook cellulosenitraat of polyethyleen.
Nieuw linoleum kan een irriterende geur hebben. Dat komt door de oxidatie van lijnolie. Deze geur verdwijnt na verloop van tijd.

TOEPASSING:
Vloer- en wandbedekking: Linoleum is gemakkelijk in onderhoud, hygiënisch en een aan te raden vloerbekleding voor astmatische of allergische personen. Omwille van de hoge hygiënische kwaliteiten wordt het ook veel toegepast in ziekenhuizen. Het is een isolerend en antistatisch materiaal.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Winning:
Lijnolie ontstaat door het persen van de zaden van de vlasplant en dit gebeurt vlakbij de productie. Het bindmiddel pijnhars, wordt van pijnbomen afgetapt zonder de groei van de boom te belemmeren. Houtmeel van bomen uit duurzaam beheerde bossen geeft een glad oppervlak en heeft de eigenschap zich te hechten aan pigmenten.
Kalksteen treft men overal ter wereld aan en is onmisbaar als fijngemalen grondstof voor linoleum. Jute is een natuurlijk materiaal dat vooral uit Aziatische landen komt.

Transport:
Het verste transport gebeurt voor levering van jute (uit de vezels van de juteplant) voor de rug. Dit is voor landen als India en Bangladesh een belangrijk exportproduct. Verder wordt nog kurkmeel (van de kurkeik uit Middellands Zeegebied), getransporteerd. Dit is de gemalen bast van de kurkeik en wordt gebruikt voor het ruwere aspect van wandbekleding en voor kurklinoleum.

Verwerking:
De pigmenten zijn meestal natuurlijk en bevatten geen zware metalen (zoals lood of cadmium) of andere schadelijke stoffen.

Afwerking:
De emissie van vluchtig organische stoffen is heel zwak, deze productgegevens zijn niet altijd eenvoudig te verkrijgen. Linoleum wordt op de ondergrond gelijmd en dat moet door specialisten gedaan worden. De naden worden gelast. Vibe vzw maakte een fiche over de impact van verschillende lijmsoorten. 

Gebruik:
linoleum is warmte-isolerend en geluiddempend, vochtbestendig en antistatisch, waardoor het minder stof aantrekt en zeer onderhoudsvriendelijk is.

De afvalfase:
Het is biologisch afbreekbaar en kan bijgevolg zonder problemen gestort worden (kunststofvloerbekleding – zoals PVC – zorgt voor enorme afvalproblemen). Linoleum is bovendien zeer duurzaam : het gaat tot 20 à 30 jaar mee en kan ook gerecycleerd worden.

Samengevat: Linoleum bestaat uit natuurlijke, nagroeibare grondstoffen en is een milieuvriendelijk alternatief voor kunststof vloerbekledingen.
Natureplus is een onafhankelijk internationaal label voor bouwmaterialen en producten die voldoen aan de hoogste milieu- en gezondheidsvereisten en is in die zin vergelijkbaar met het bio-garantielabel voor de voedingssector.
Het is het strengste label voor bouwproducten op de markt. Ook voor linoleum zijn criteria beschikbaar. Meer info:

MILIEUKADER:
Milieukader 1: Materialen uit nagroeibare grondstoffen.

Kunststof vloerbedekking

De meeste kunststof vloerbekledingen zijn op basis van polyvinylchloride zoals vinyl en PVC.
Fiche PVC op deze site.

TOEPASSING:
Kunststof vloerbekledingen worden omwille van gemakkelijk onderhoud meestal gebruikt in keukens, badkamers, slaapkamers.
Let op met het afsteken van oude vinylvloeren: de
onderkant daarvan bevat soms asbest. Zie fiche asbestvinyl.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Ontginning:
Voor de productie van 1 kg PVC is 0,7 kg aardolie, 1 kg NaCl (keukenzout) en maar liefst 3,8 liter water nodig. De ondergrondse winning van NaCl kan, net als bij de winning van olie, voor verzakking van de bodem en verstoring van bodemprocessen zorgen.

Transport:
Bij de productie van PVC wordt reactief chloor gebruikt. Tegen het transport van chloor wordt door milieuorganisaties als Greenpeace geprotesteerd, omdat het chloor mutageen (erfelijk materiaal veranderend) zou zijn, alleszins is het gevaarlijk transport.

Verwerking:
PVC wordt voor 43% gemaakt uit aardolie en voor 57% uit keukenzout. Van aardolie wordt etheengas gemaakt. Uit het zout wordt door middel van elektrolyse chloor gehaald (waarbij asbest vrijkomt).
Van etheen en chloor wordt VC (vinylchloride) oftewel VCM (vinylchloridemonomeer) gemaakt; VC(M) (ook gevaarlijke stoffen: mutageen en carcinogeen).
Buiten de vluchtige organische stoffen (VOS) waaronder tolueen, butyl, ethylbenzeen en andere, bevatten PVC-vloerbekledingen ook 10 tot 50% plastificeermiddelen, waaruit ftalaten kunnen vrijkomen. Deze semivluchtige organische stoffen zijn voornamelijk di-n-butylftalaat, diethylhexylftalaat en diisonylftalaat. Net zoals bij vluchtige organische stoffen verhoogt de emissie van semivluchtige organische stoffen bij een hogere luchtvochtigheid.

Voor de lijmen waarmee de vloerbekledingen gekleefd worden, wordt verwezen naar de fiche ‘Lijmsoorten voor muur-en vloerbekledingen’.

Gebruik:
Kunststof vloerbekledingen veroorzaken statische elektriciteit, ze kunnen hiertegen geaard worden. Zie ook de tabel in de fiche ‘Elektrostatisch potentieel van verschillende vloerbekledingen’ van vibe vzw.
In geval van brand komen toxische chloorwaterstoffen vrij uit PVC-vloerbekledingen. Dit verstikkende gas veroorzaakt ernstige irritaties van ogen en luchtwegen.

De afvalfase:
-recycleren:
kunstof vloerbekledingen worden meestal gekleefd of gegoten, vandaar kunnen ze bij vervanging meestal moeilijk gescheiden worden van de ondergrond.
Als het niet te veel vermengd is kan het PVC-afval schoongemaakt worden en vermalen tot regranulaat. Dit oude PVC kan als kern in bijvoorbeeld buizen of ramen worden gebruikt; de binnen- en buitenkant bestaat dan uit nieuw PVC. Op deze wijze is tenminste 30% primair materiaal nodig.
-storten: Als PVC-afval wordt gestort, is het onafbreekbaar. Ftalaten, kunnen uitlogen in de bodem en het grondwater.

Samengevat:  Het is duidelijk dat bij vloerbekleding milieuvriendelijker oplossingen zijn dan kunststofvloeren. Het moeilijk te recycleren zijn, het gebruik van aardolie en het productieproces van kunststoffen is nefast voor de analyse van de levenscyclus. Qua uitzicht en slijtvastheid is linoleum (en kurkvloer) een gezond en milieuvriendelijk alternatief.

Ook flexibele vloerbekledingen zijn sinds kort verplicht voorzien worden van het CE-keurmerk, waardoor ze moeten voldoen aan de veiligheidsvoorschriften die in de geharmoniseerde norm zijn vastgelegd, zoals reactiegedrag bij brand, het niet vrijkomen van formaldehyde en pentachloorfenol, elektrostatisch gedrag bij warmtegeleidbaarheid.
Een nieuwe voorwaarde, namelijk de emissie van vluchtige organische stoffen (VOC), wordt binnenkort in de norm opgenomen.

Het gebruik van vinyl blijft omstreden:de Europese Commissie heeft recent een overzicht gepubliceerd met de resultaten van verschillende ‘life-cycle analysis’ (LCA) rond vinyl en concurrerende producten.

MILIEUKADER:
Milieukader 3: uit petrochemische grondstoffen.

parket

Een massieve parket- of plankenvloer bestaat uit verschillende planken uit één stuk die één voor één (volgens een bepaald patroon) op de ondervloer geplaatst worden.
Meestal maakt men een ‘strokenparket’, bij brede stroken spreekt men ook over ‘plankenvloer’.
De dunnere soort (ongeveer 10 mm dik) wordt vaak verlijmd en vernageld op een ‘onderparket’, dat bestaat uit goedkope parketsoort, spaanderplaten, multiplexplaten of OSB-platen.
Dikkere (minimum 13 mm, meestal 20 à 22 mm dik) parket wordt rechtsreeks op een isolatielaagje of houten balklaag gelegd.

Een fineerparket bestaat uit een drager (die de sterkte maakt), meestal MDF. En een toplaag uit echt hout (en niet uit kunststof zoals bij laminaat).

Een meerlagig of gelamelleerd parket bestaat uit verschillende lagen: een onderlaag, meestal uit naaldhout of multiplex, een tussenlaag van dennenhout (maar vaak ook uit MDF of HDF) en tenslotte een toplaag van harder massief hout. Het voordeel van meerlagig parket is dat het minder kromtrekt dan volhout.

TOEPASSING:
Meestal worden voor een houten vloer harde houtsoorten gebruikt, die tegen een stootje kunnen (bijvoorbeeld eik of tropische houtsoorten).
Voor minder belopen vloeren, slaapkamers en dergelijke, volstaan minder harde houtsoorden, zoals vuren, dennen, grenen enz. Die zijn ook goedkoper.
Houten vloeren kunnen mits de juiste houtsoort op de juiste plaats ook in vochtige ruimten worden toegepast.
Met bijvoorbeeld eik is de combinatie met vloerverwarming zelfs mogelijk.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclusanalyse:

Herkomst:
Volhouten vloeren zijn natuurlijk, hout is nagroeibaar, maar…De herkomst van het hout geeft bij parketvloeren een belangrijke milieufactor. Een label dat zowel de bestaande oerbossen als de werkomstandigheden respecteert is ook in ons land al zeer veel gebruikt: FSClabel. http://fsc.wwf.be/

Verwerking:
Het hout wordt tot massieve planken verzaagd. Plaatsen kan op verschillende manieren:
-Houten vloeren vastnagelen op houten vloerbalken is de traditionele vorm van plaatsing. Tussen de houten roostering en de houten vloer kan akoestische isolatie aangebracht worden (bijvoorbeeld kurk, houtvezelplaten..., om contactgeluid te dempen).
Het milieuvoordeel is dat er geen lijm wordt gebuikt. Het hout kan wel ‘werken’ wat bij een natuurlijk materiaal onvermijdelijk is.
-Op een ondergrond van beton of hout(en platen) kan parket ook verlijmd worden. Bij het belopen is er dan minder resonantie dan bij een zwevende vloerconstructie, maar wel een grotere geluidsoverdracht naar de lagere verdiepingen.
De hele vloeroppervlakte moet ingelijmd worden. Dus veel lijm en mogelijk daardoor een slechte luchtkwaliteit.
De verschillende soorten lijmen en hun evaluatie op het vlak van gezondheid zijn terug te vinden in de fiche ‘lijmsoorten voor muur- en vloerbekledingen’  van VIBE vzw.
-Een ‘zwevende’ vloer wordt meest bij fineerhout toegepast. Er wordt eerst een akoestische isolatie gelegd tussen de draagvloer en de houten afwerkvloer. De houten lamellen (tand en groef) kunnen dan los op deze laag liggen.

Gebruik:
Het voordeel van massief hout is dat men het honderden jaren kan blijven gebruiken. Als het hout bijvoorbeeld erg beschadigd is, kan er gewoon een dunne laag worden afgeschuurd en eventueel opnieuw worden behandeld. (Dat kan niet bij fineervloeren met een dunne toplaag en zeker niet bij laminaatvloeren.)

Afwerking:
Vluchtige organische stoffen
(VOS) die vrijkomen uit vernissen en andere afwerkingslagen (en ook uit lijmen) zijn vaak schadelijk voor de gezondheid. Vandaar is het zeer belangrijk bij afwerken van het parket om de ruimte goed te verluchten.
Door hout te vernissen met een harde toplaag (polyurethaanvernis bijvoorbeeld), verdwijnt de ‘ademende’ en vochtregulerende invloed van het hout op het binnenklimaat. Synthetische vernissen kunnen daarbij elektrostatisch opladen.
Meest gebruikt zijn:
-Bij intensief gebruik:vernissen op basis van ureumformaldehyde (bevatten dus  formaldehyde) of tweecomponentenvernissen op basis van polyurethaan (geven tijdens het gebruik irriterende isocyanaten vrij),
-Bij normaal gebruik: Eéncomponentvernissen op basis van polyurethaan en vernissen op basis van acryl (oplosbaar in water). Deze bevatten geen solventen, drogen snel, maar bevatten veel vluchtige glycol-esters (schadelijke invloeden nog niet duidelijk).
-Bij vochtige ruimten: Epoxyvernissen.

Alle vorige vernissen komen uit de petrochemische sector.
Natuurlijke vernissen bevatten geen, of veel minder, chemische componenten. Maar zijn dan weer minder hard.
Nadeel van vernissen is ook dat bij plaatselijke diepe beschadigingen er schimmels of zwarte vlekken onder de vernislaag kunnen ontstaan.
Houten vloeren oliën, behandelen met was en/of boenen geeft eigenlijk een beter resultaat dan vernissen en laat toe dat het hout kan ademen. Een geoliede vloer kan ook goed tegen water. Krassen en vetvlekken kunnen gemakkelijk weggewerkt worden.

Afval:
Zowel volhouten als gelamelleerd houten vloeren zijn makkelijk herbruikbaar. Bij volledig verlijmde vloeren is er wel het probleem het hout intact van de ondergrond te krijgen.

Samengevat: Als het hout niet chemisch behandeld is en de afwerklaag en de eventuele verlijming geen ongezonde producten bevatten, dan is een houten vloer een zeer natuurvriendelijke oplossing.
Als het om tropisch hout gaat is het FSC label een vereiste. Behandeling met plantaardige olie geniet de voorkeur. Bij houten vloeren zijn ook reeds voorbehandelde planken beschikbaar met milieulabel (vb. Natureplus).
zie ook onze fiche over massief hout.

Milieukader:
Milieukader 1: uit natuurlijke grondstoffen.

Katoen

Katoen is afkomstig van katoenplanten, deze zijn zeer geschikt voor grootschalige productie en verwerking. Er bestaan talloze stofvarianten gebreid of geweven van katoen, verkrijgbaar in vele kleuren en dessins.
Katoen een goed vochtopnemend en vochtdoorlatend vermogen, waardoor het gebruiksvriendelijk is.

TOEPASSING:
Kleding, bekleding meubels, gordijnen, stof, touw, isolatiemateriaal.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Winning:
De helft van de totale mondiale vezelproductie voor kleding en textiel is katoen. Met zaadveredelingstechnieken hopen boeren recordoogsten te behalen, daarom verbouwen vele boeren katoen in monocultuur. De traditionele katoenteelt gebruikt veel bestrijdingsmiddelen en kunstmest en verbruikt grote hoeveelheden water.

Transport:
Voor vele ontwikkelingslanden is katoen één van de belangrijkste exportproducten. Ook katoenen kleding komt meestal kant en klaar vanuit deze landen. Nu 70% van de textielproductie, in 1980 nog 30%).

Verwerking:
Ook het koken, bleken, wassen en kleuren van textiel is zeer milieubelastend. Zeker in ontwikkelingslanden belanden die vervuilende stoffen in het water. Ook de arbeidsvoorwaarden zijn vaak onmenselijk.
De katoenverwerkende industrie is bijna volledig geautomatiseerd. Spinnerijen en weverijen kunnen in korte tijd grote hoeveelheden verwerken. Af en toe wordt er in goedkoop afgewerkt textiel nog resten van chemicaliën aangetroffen.

Gebruik:
Katoen bevat soms sporen van het bestrijdingsmiddel lindaan, dat toxische reacties kan veroorzaken. Kleurstoffen en micro-organismen kunnen allergische reacties veroorzaken. Katoen is niet kreukherstellend, het neemt zowel in als om de vezel gemakkelijk vocht op en kan krimpen.
Om deze nadelen te verminderen en toch een natuurlijk uitzicht te bewaren, worden natuurvezels ook gemengd met synthetisch garen bijv. viscose-katoen-menging.

De afvalfase:
Katoen wordt meestal apart ingezameld met bruikbare kleding en stoffen. Natuurlijke katoenvezels kunnen worden gerecycleerd, maar worden meestal verbrand omdat ze dikwijls verbonden zijn met synthetische vezels.

Samengevat: De milieu-impact van textielproducten is vooral het gevolg van de processen die de vezels doorlopen na de eigenlijke fabricatie: bleken, kleuren, bedrukken, confectioneren. Textielfabrikanten die het ecolabel willen krijgen moeten bewijzen dat slechts een minimale hoeveelheid chloorverbindingen, metalen of milieuschadelijke kleurstoffen in het afvalwater terechtkomen.
Verschillende kleding en stoffenmerken hebben een biokatoenlabel of is 'eerlijk katoen' met keurmerk Max Havelaar. Meest verspreid is het Europees ecolabel (bloemetje).

MILIEUKADER:
Milieukader 1: natuurlijke grondstoffen.

 

 

Wol

Scheerwol is afkomstig van de vacht van schapen. Wol kan ook worden herwonnen uit afgedankte kleding en stoffen. De kwaliteit en eigenschappen van de wol zijn afhankelijk van het schapenras (Merino, Crossbed, Cheviot). Om bepaalde kwaliteiten te verkrijgen wordt deze wol ook vaak gemengd.
De beste eigenschappen van wol zijn de warmte-isolatie en de veerkracht door kroezing en elasticiteit. Het materiaal ademt dankzij de moleculaire opbouw van de vezel.

TOEPASSING:
kleding, meubelbekleding, isolatie.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Winning:
Bij de wolproductie worden pesticiden gebruikt, om de schapen tegen parasieten te beschermen.

Transport:
Australië en Nieuw-Zeeland rond zijn de grootste wol-exporteurs ter wereld. De hoge ammoniakconcentraties afkomstig van schapenmest en het nitraat schaden het milieu.
 Bij het transport van wol worden chemische middelen ingezet om motten, parasieten en schimmels te weren. Tijdens de verwerking worden deze chemicaliën, samen met het wolvet en plantenresten, uit de wol gespoeld. Dit zorgt voor verontreinigd water.

Verwerking:
De verdere veredeling en het verven van wol zorgt door uitspoeling ook voor de nodige milieubelasting, als dit water niet gezuiverd wordt.
Schapenwol wordt ook gebruikt als isolatiedekens en is dan een restmateriaal van schapenhouderijen. De woldekens worden tegen dierlijke en plantaardige aantasting (schimmels) behandeld. Door middel
van droge non-woven productietechnieken
(vernaalding) worden viltvliezen geproduceerd
zonder dat hiervoor bindmiddelen worden gebruikt.

Gebruik:
Wol neemt gemakkelijk vocht (zweet bijv.) op zonder vochtig aan te voelen en geeft dat langzaam terug af. Voor meubelstoffen is dit ook van belang bij het verven.
Over het algemeen is wol (afhankelijk van de verfmethode) goed lichtbestendig.

De afvalfase:
Wol is makkelijk te hergebruiken. Bijvoorbeeld door te vilten wordt wol een nieuw leven gegeven. Maar stoffen kunnen ook hergebruikt worden.

Samengevat: Bij stoffen is de levenscyclus zeer moeilijk te vergelijken. De katoen gebruikt en vervuilt enorm veel grond en water, ook voor wol worden veel chemische middelen ingezet. De schapen worden primair meestal ook voor vlees gekweekt. In de milieuclassificaties (nibe) heeft wol een betere score omdat het een zeer lage verontreiniging en energiegebruik heeft.

MILIEUKADER:
Milieukader 1: nagroeibare grondstoffen.

 

Bamboe

Bamboe (Chinese reuzenbamboe) is een verhoute grasplant die zeer snel groeit. Na 4à5 jaar kan al geoogst worden. Bamboeplanten zijn in hun geheel te gebruiken: de stammen als constructiemateriaal, de bamboescheuten worden gegeten, de bladeren als diervoeder en de zijtakken voor vlechtwerk en textiel.
Bamboe compacte vezelstructuur geeft dat bamboe als bouwmateriaal minder zet en krimpt dan de meeste houtsoorten.
Bamboe kleding wordt ook wel 'airco kleding' genoemd: door de microgaatjes, ademt het, plakt niet en geeft zelfs verkoeling. De warmte isolatie en vochtopname is bijna gelijk aan katoen. Het is ook bacteriewerend en reukvrij.
Er bestaat stof volledig uit bamboevezels, maar meestal wordt er 30% katoen mee verwerkt.

TOEPASSING:
Constructie (in Aziatische landen oorspronkelijk het bouwmateriaal van de armen), parket, meubels, panelen, stoffen, kleding.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Winning:
Bamboe groeit vooral in Azïe, bamboe hier komt meestal uit China. Verschillende Belgische importeurs hebben een overeenkomst met WWF voor de bescherming van de panda’s die ervan leven (deze leven trouwens niet van de reuzenbamboe, maar van kleinere soorten). Bij het oogsten van bamboe blijven zowel jonge als oude scheuten staan zodat het land niet erodeert en er ook geen ontbossing plaatsvindt. Er is alleen zonlicht nodig voor de groei en geen bestrijdingsmiddelen.
De vezels worden mechanisch geplet om er stof van te maken. Omdat de afname van bamboe enorme groei kent, en de productie van bamboestof bijna alleen in China gebeurt, zijn de arbei het enige mogelijke minpunt de arbeidsomstandigheden.

Transport:
Enige nadeel van bamboe is het verre transport (wat met vele houtsoorten zo is).

Verwerking:
Gezien geen bestrijdingsmiddelen worden gebruikt, moeten ze ook niet verwijderd worden. In een schaafbank wordt de schil verwijderd. De stammen worden in de lengterichting in strips gezaagd. Na droging worden de strips nog eens geschaafd en behandeld. Bamboe met natuurkleur wordt gekookt, bamboe met eerder bruine kleur wordt gestoomd waardoor de natuurlijke suiker in het bamboe oxydeert. Andere kleuren worden verkregen door een combinatie van hitte en druk.
Dan worden de stroken verlijmd met verschillende mogelijke patronen. De lijm is watergedragen met norm E1.
Bamboe heeft een uniek bestanddeel dat bacteriën en schimmels weghoudt. Bij andere stoffen worden hiervoor chemische stoffen toegevoegd.

Gebruik:
Bamboe stof is bovendien ook nog van nature antibacterieel en hypoallergeen. Het geeft in de zomer ook enkele graden meer verkoeling dan katoen.
De stof is streelzacht (lijkt op zijde), kreukvrij, ademend en reukvrij.

De afvalfase: Bamboe is van nature volledig afbreekbaar en dus in het geheel niet milieuverontreinigend. Zoals bij hout is ook hier de afwerking (bij behandelen met verf of vernis) de boosdoener bij verwerking tot nieuw materiaal of compostering.

Samengevat: Zolang de grondinbeslagname niet spectaculair stijgt door de enorm groeiende vraag naar bamboe, kunnen we aan het product geen negatieve milieu eigenschappen toekennen. Vooral bij de behandeling ervan met lijm en vernis kiest men best watergedragen producten.

MILIEUKADER:
Milieukader 1: nagroeibare grondstoffen.

Synthetische vezels

Synthetische textielvezels bestaan meestal uit polyamide (nylon),. acryl, polyester, elastomeer (lycra). Deze worden geproduceerd uit aardolie en aardgas. Uitzondering is viscose; het wordt vervaardigd uit cellulose van hout en planten (en acetaat uit katoenafval), maar wordt chemisch geproduceerd.
Synthetische stoffen zijn vaak slijtvaster en beter te reinigen dan natuurlijke stoffen. MICROVEZEL is een extreem fijne synthetische vezel (uit alle mogelijke combinaties van natuurlijke en synthetische garens ) waarvan textiel geweven kan worden dat aanvoelt en eruit ziet als een natuurlijke stof.

TOEPASSING:
Stoffen, meubelbekleding, muurbekleding, kleding, gordijnen.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:


Winning:
nadeel is het ontstaan uit fossiele brandstoffen

Transport:
De meeste polyamidefabrieken staan in Zuid-Korea en Japan, maar ook China is in opkomst.
 

Verwerking:
Bij het produceren van synthetische vezels worden andere stoffen toegevoegd die wel schadelijk kunnen zijn voor mens en milieu: voor acryl is dat acrylonitril, polyester bevat een gehalte aan antimoon10 en polypropeen een gehalte aan lood. Als producenten een milieukeurmerk willen halen zijn er normen voor een minimaal gebruik van deze stoffen.
Lood(pigment) mag dan in polypropeen niet worden toegepast.

Gebruik:
Stoffen van microvezels (een verzameling van polyesters van extreem dunne draden) zijn over het algemeen licht van gewicht. Microvezel kan beter gereinigd worden, ademt en is waterafstotend. Zij krimpen niet en behouden hun vorm. De meeste synthetische vezels hebben het voordeel dat zij relatief sterk, rekbaar en makkelijker te onderhouden zijn dan natuurlijke vezels.

De afvalfase: In tegenstelling met katoen of wol kunnen synthetische vezels (nog) niet goed gerecycleerd worden; wel herbruikt.

Samengevat: In principe is de productie van synthetische vezels nooit milieuvriendelijk te noemen en gaat de voorkeur naar natuurlijke stoffen. In de levenscyclus echter komt het gebuiksgemak en duurzaamheid van deze vezels dikwijls veel sterker uit.

MILIEUKADER:
Milieukader 3: materialen uit petrochemische grondstoffen

 

Epoxy

Epoxy’s zijn kunstharsen. Meestal zijn ze een twee-componenten product, namelijk een hars en een harder. (Soms nog met een vulstof bijv. zand of grind).
Om epoxy’s te kunnen verwerken, bevatten ze een oplosmiddel (water soms of organisch).

TOEPASSING:
Lijmen (constructielijm, tegellijm), voegmiddel, coatings, primers, gietvloer, reparatiemiddelen. composieten.


MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Winning:
Het proces om epoxy te creëren begint bij propeen dat reageert met chloor en allylchloride. Door verdere bewerking met hypochloriet en natriumhudroxide ontstaat epichloorhydrine. Nog enkele reacties verder ontstaan vloeibare of harde epoxyharsen.
Met glas- of koolstofvezels maakt men gewapende kunststoffen en composieten;

Verwerking:
Er zijn oplosmiddelen die niet verdwijnen door verdamping, maar doordat ze in het eindproduct worden opgenomen. Zo komen ze niet in het milieu terecht (reactieve verdunners: `epoxyderivaten').
De hardercomponent bevat één of meer alifatische aminen (de eigenlijke verharder) en verdunningsmiddelen.

Mensen die met epoxy werken kunnen blijvende allergische (huid)reacties ontwikkelen.

Gebruik:
Kunststofvloeren kennen hun oorsprong in de industriële sector omdat ze slijtvast, chemicaliënbestendig en vloeistofdicht zijn. In composietmaterialen spelt het lichte gewicht en het niet roesten in het voordeel.
Door het inademen van dampen van epoxygebonden reparatiemiddelen kan allergie van de luchtwegen en slijmvliezen ontstaan.

De afvalfase:
Epoxy’s zijn in de afvalfase meestal vastgehecht aan andere materialen, waardoor ze niet te recycleren zijn.

Samengevat: Verwerkt in composietmaterialen kunnen epoxy’s zeer lichte en resistente materialen zijn die milieuvriendelijk zijn omwille van hun licht gewicht. Epoxy gietvloeren zijn bijna oplosmiddelvrij (buiten benzylalcohol). Van alle gietvloeren en coatings zijn epoxy’s het best bestand tegen puntlasten en slijtage. Een gietvloer is merkelijk dikker (± 2 mm) dan een coating (0,2 mm), en gaat dus langer mee. De productie met chloor en het afvalprobleem zijn de grootste minpunten.

MILIEUKADER:
Milieukader 3: materialen uit petrochemische stoffen.