Oppervlaktedelfstoffen

Milieukader 2: Materialen uit oppervlaktedelfstoffen.

Gesteenten, zand, klei, leem, ertsen,… het zijn natuurlijke materialen, rechtstreeks in de aarde te vinden. Alleen is de manier waarop ze uit de grond worden gehaald niet altijd zo milieuvriendelijk.

Door open mijnbouw, bijvoorbeeld voor het ontginnen van ijzerertsen, worden ook grote stukken oerbossen gekapt. Complexe ecosystemen kunnen onherstelbaar worden verstoord door de stoffen die gebruikt worden om erts van gesteente te verwijderen. Zowel voor het landschap als voor de verwerking van het afval is er een probleem in landen waar milieunormen niet zo nauw worden genomen.
Dichterbij huis wordt voor de ontginning van zand en leem ook dikwijls de omliggende natuur uit evenwicht gebracht. Goede voorbeelden liggen ook in het terug aanleggen van natuur op de plekken waar deze grondstoffen werden gewonnen.

Dus is de keuze voor ‘oppervlaktedelfstoffen’ aanvaardbaar als tweede keuze. Als er geen alternatief uit nagroeibare materialen bestaat.

Voorbeelden: leem, kalk, baksteen, kalkzandsteen, kleidakpannen en -tegels, metalen....

Aluminium

OMSCHRIJVING:
Het basismateriaal voor aluminium (Al) is bauxiet. Het wordt gelegeerd met magnesium (Mg) en silicium (Si). Het materiaal is goed te 'extruderen' (in visceuze toestand te persen door een mal) waardoor een geprofileerd product ontstaat.

TOEPASSING:
Aluminium is minder sterk en stijf dan bijvoorbeeld staal. Doordat het een vrij licht materiaal is, werd het oorspronkelijk toegepast in de vliegtuigbouw en ruimtevaart. In de bouwsector vinden we het vooral als raamprofiel, bij meubel- en wandprofielen en als beplating terug.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Winning en productie:
Aluminiumproductie vanuit bauxiet (het basismateriaal voor aluminium) is bij het huidige gebruik nog zeker 150 jaar mogelijk. De grootste producenten van Bauxiet zijn Zuid-Amerika en Oceanië.
Bij elke ton bauxiet komt 3 ton onbruikbaar productieafval vrij; (vooral aluinaarde of rode modder). Dit afval zorgt voor verontreiniging van oppervlaktewater.
Er zijn veel emissies bij de productie, dezelfde als bij lood en zink, maar er is tevens emissie van fluoriden, aluminiumzouten en slakken. Met name fluorzouten zijn toxisch.

Verwerking:

Voor productie van aluminium is zeer veel energie nodig, per kilo ongeveer anderhalf keer zoveel als bij staal. Dit komt doordat aluminium uit bauxiet moet worden geëlektrolyseerd.

Gebruik:
Aluminium is in principe zeer duurzaam. Het corrodeert wel, maar daarbij vormt zich een laagje op het metaal, dat verdere corrosie voorkomt. Anodiseren of verven (poedercoaten) zijn andere mogelijkheden om de levensduur te verlengen.

De afvalfase:
Bij het maken van aluminiumproducten uit hergebruikt aluminium is nog maar 5 tot 10% nodig van de energie die nodig was voor de productie van primair aluminium. Zeker bij aluminium geldt dus: hoe vaker het wordt hergebruikt, des te lichter wegen de milieubezwaren van de oorspronkelijke productiefase.

Samengevat: Vanuit de winning is het product te milieubelastend als eerste keuze. Aluminium kan dus omwille van het lage onderhoud en de duurzaamheid, als je het goed beschermt en zo aan elkaar vastzet dat het makkelijk recupereerbaar is.

MILIEUKADER:
Milieukader 2: materialen uit oppervlaktedelfstoffen.

baksteen

Baksteen bestaat uit klei, water en toeslagstoffen (zand).
'Verontreinigingen' in de klei bepalen de kleur: veel kalk maakt lichte bakstenen, ijzer in de klei: donkerrode bakstenen en mangaanoxide geeft een donkerbruine baksteen.
Na de vorming in strengpers (vol of hol) of handvorm (in aparte vormen ‘gesmeten’), worden de stenen gedroogd, gebakken en opgeslagen.
Voor lichte isolerende stenen kan men ook zaagsel of polystyreenbolletjes in het kleimengsel verbranden.
Klinkers zijn bakstenen die op zeer hoge temperatuur zijn gebakken.

TOEPASSING:
Bakstenen kunnen zeer snel veel water opslorpen en ook snel weer afgeven. Vandaar wordt baksteen vooral gebruikt als gevelsteen, binnenmuursteen en straatklinker. Bakstenen ondergaan ook weinig of geen vormveranderingen, zijn brandwerend en er bestaat weinig kans op scheurvorming.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Winning:
De Belgische baksteenfabrieken staan (stonden) in kleirijke gebieden (West-Vlaanderen, de Kempen, de Rupelstreek en het Scheldebekken). Kleinschalige winning van klei creëerde vroeger achteraf mooie natuurbiotopen, tegenwoordig is de winning grootschaliger, maar er is nog geen schaarste. De winning van klei uit de bodem zou nadelige milieueffecten hebben op bodemprocessen en grondwaterhuishouding.

Transport:
De producten worden meestal bij de kleiwinning gemaakt. Deze gebeurt dus in België of Nederland.

Verwerking:
De klei wordt bewerkt totdat men een mengsel verkrijgt dat goed kneedbaar is en wordt dan machinaal gevormd. Het bakken vergt het meeste energie binnen de volledige levenscyclus. Hierbij komt fluoride vrij dat van nature in klei zit, andere gassen zijn afhankelijk van het type klei (welke mineralen en metalen in het materiaal te vinden zijn) en het bakproces. Verbrandingsgassen worden 'gewassen', in de afvoer door een minerale zeef gehaald, waardoor schadelijke emissies worden gebonden aan het mineraal.
Het spoelwater wordt tegenwoordig hergebruikt.


Gebruik:
Bakstenen worden verwerkt met een cementspecie. Meestal worden er voegen voorzien van ongeveer 1 cm, maar dikwijls worden ze ook verlijmd.

De afvalfase :
Oude bakstenen werden meestal vermetseld met een kalkspecie. Deze kan men makkelijk recupereren en opnieuw gebruiken als baksteen. Met de cementspecie (van na de tweede WO) en met het verlijmen van baksteen, zijn deze bijna niet meer te scheiden en ligt hun toekomst in steenpuin of menggranulaat.

Samengevat: Baksteen is een duurzaam bouwproduct, hoewel klei een eindig product is. Hij kent een lange, onderhoudsarme levensduur en na de eerste levenscyclus kan hij worden hergebruikt als bestanddeel van menggranulaat.

MILIEUKADER:
Milieukader 2: oppervlaktedelfstoffen

Beton

Beton werd al door de Romeinen gebruikt, maar in de middeleeuwen ging de kennis ervan verloren, in de negentiende eeuw werd het herontdekt in de tuinbouw. Voor bouwconstructies werd de kalk of traskalk uit het Romeinse beton vervangen door cement, afkomstig van mergelsteen.
De aluminiumverbindingen in mergel maken het materiaal geschikt voor toepassing als cement. Door het ontbreken van kalk werd het mogelijk om stalen netten of staven toe te voegen, waarmee beton veel grotere trekkrachten kan opnemen.
Beton bestaat uit cement, water, zand en grind.
(Cement en water vormen mortel, wordt daar zand aan toegevoegd, dan heet het zandcement. Pas met grind heet het beton).
Aan de basisgrondstoffen worden soms stoffen toegevoegd waarmee het beton sneller droogt, beter vloeit of andere gewenste eigenschappen krijgt.

TOEPASSING:
Zowel constructieve als niet constructieve functies, kan door toevoegingen waterdicht gemaakt worden.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Winning:
De winning van de minerale grondstoffen van beton (cement, zand en grind) tast het landschap en bijbehorende ecosystemen aan.
Portlandcement wordt grotendeels gemaakt van mergel, dat wordt gewonnen in Zuid-Limburg in Nederland. De aantasting van het landschap is er veel groter dan het randje natuurgebied dat er voor in de plaats kwam. Open dagmijnen kunnen alleen bij kleinschaliger, plaatsgebonden winning.
Hoogovencement is cement dat grotendeels bestaat uit gemalen hoogovenklinker (slakken die bij het hoogovenproces overblijven). Ook vliegasslakken, vrijkomend bij elektriciteitscentrales, worden in cement gebruikt. Vliegas bevat ook zware metalen en heeft als grootste bezwaar dat het vrij radioactief is, waardoor toepassing binnenshuis niet is aan te raden.
Zandwinning zorgt door de diepte in mindere mate voor aantasting van het landschap - het levert soms nieuwe waterrijke natuurgebieden op - maar deze diepere winning kan echt ook verstorende gevolgen hebben voor de waterhuishouding. Zand is in ieder geval wel ruim voorradig.
Grind wordt gewonnen uit rivieren en uit diepere grondlagen. Daarbij treden soortgelijke problemen op als bij de winning van zand. Bij de winning uit rivieren worden ecosystemen op de bodem aangetast. Grind is ten opzichte van zand minder voorradig. Waar sterkte minder een rol speelt kan grind vervangen worden door puingranulaat .(vermalen puin van beton en metselwerk): tot 20% zonder sterkteverlies.
In plaats van grind kunnen aan beton gesinterde kleikorrels worden toegevoegd om het lichter en isolerender te maken.
Wapeningsstaal: zie staal.

Transport:
Beton is een zwaar materiaal, dat bij transport voor een hoog energiegebruik zorgt. Daar staat tegenover dat zo goed als alle grondstoffen voor beton in Belgïe of Nederland worden gewonnen en verwerkt, waardoor de afstand van transport klein is.
De cementindustrie is vooral gesitueerd aan waterwegen, zodat de bulkmaterialen (cement, zand en grind) per schip kunnen worden aangevoerd, wat de milieueffecten van transport beperkt.

Verwerking:
Silica (een verzamelnaam voor steenstof), komen vrij bij de winning en productie van steenachtige materialen. Deze kunnen zoals bij cement, bij werknemers in de fabriek of op de bouwplaats 'stoflongen' veroorzaken. Andere chemische toeslagstoffen kunnen in geval van contact irritatie veroorzaken.
Uit milieuoverweging heeft men de voorkeur om prefab beton toe te passen, dit geeft minder afval en is ook demontabel.

Gebruik:
Als geen stoffen met een hoge radioactiviteit of zware metalen zijn toegepast, die kunnen vrijkomen bij boren in beton, zijn de gevolgen voor de menselijke gezondheid binnenshuis gering. Nadeel van beton is dat het niet isolerend werkt en in een buitenconstructie extra moet afgewerkt worden tegen koudebruggen. Beton heeft een koud oppervlak, dat onprettig aanvoelt en voor koudestraling zorgt, dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld hout.

De afvalfase:
Hoogovencement heeft een wat hogere radioactiviteit, en het bevat uit de slak sporen van zware metalen, die bij boren (gebruiksfase) en breken van beton (afvalfase) kunnen vrijkomen. Tenzij demontabel in elkaar gezet, met prefab bouwelementen, is beton niet in oorspronkelijke vorm te hergebruiken. Het slooppuin wordt daarom meestal gebroken, het wapeningsstaal verwijderd, en het betonpuin vermalen tot puingranulaat.

Samengevat: Voor constructie van gebouwen wordt vanuit milieuvriendelijk oogpunt steeds hout aangeraden. Hierbij wordt de constructie meestal tegen vocht afgeschermd met een kruipkelder. Bij gebruik van beton en staal dienen zoveel oppervlaktematerialen worden ontgonnen dat men afraadt hier veel van te gebruiken.
Alternatief is in ontwikkeling en reeds beperkt op de markt: vb. beton gewapend met vlasvezels.

MILIEUKADER:
Milieukader 2: oppervlaktedelfstoffen.

Brand- en hittewerend glas

Dit soort veiligheidsglas wordt zo geprefabriceerd dat er tussen de verschillende glasplaten geen lucht zit, maar een brandwerende tussenlaag. Van zodra er brand uitbreekt, treedt deze tussenlaag op als hitteschild, doordat de tussenlaag begint op te schuimen van zodra er een temperatuur van 120°C bereikt wordt.

Meer informatie over verschillende glassoorten.

Cellenbeton

OMSCHRIJVING:
Cellenbeton bestaat uit kwartszand, portlandcement, water, 15% ongebluste kalk en 0,06% aluminiumpoeder. Het aluminium reageert met de kalk waardoor gasbellen in het cellulair beton achterblijven.
Door zijn luchtigheid heeft cellenbeton isolerende eigenschappen. Het gewicht van cellenbeton kan variëren van 500 tot 1300 kg/m3. (normaal beton: 2000 kg/m3).

TOEPASSING:
Als dragende wand is cellenbeton enkele centimeters dikker dan andere steen. Ook toepasbaar als niet dragende wand en als vloerplaat met wapening. Alle elementen uit cellenbeton zijn prefab.
MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:


Winning:
500 kg grondstof is voldoende voor 1 m3 3 metselwerk; dat is de helft of één derde van de hoeveelheid vereist voor andere ruwbouwmaterialen. (febecel).
Een milieuvoordeel van cellenbeton is dus dat door de cellen en het ontbreken van grind minder primaire grondstoffen worden gebruikt. De milieueffecten van de andere ingrediënten blijven echter:

Portlandcement wordt grotendeels gemaakt van mergel, dat wordt gewonnen in Zuid-Limburg, in Nederland. De aantasting van het landschap is er veel groter dan het randje natuurgebied dat er voor in de plaats kwam. Open dagmijnen kunnen alleen bij kleinschaliger, plaatsgebonden winning.
Zand
Kwartszand, ook glaszand genoemd, is de meest waardevolle delfstof van Vlaanderen. De ontginningsgebieden bevinden zich enerzijds in Mol en Lommel en anderzijds in Maasmechelen. In de glasindustrie wordt kwartszand als basisgrondstof gebruikt voor verschillende toepassingen. Voorlopig is zand nog ruim voorradig.

Gebruik:
Lichter gewicht geeft zeker een voordeel in transportkosten. Cellenbetonfabrikanten leveren meestal een berekening volgens plan van de nodige diktes en balken. Hierdoor wordt, zoals gemakkelijk in de traditionele bouw gebeurt, niet te veel materiaal gebruikt. Zonder extra isolatielaag wordt dezelfde energieprestatie geleverd als een spouwmuur met een Rc-waarde van 2,5 of beter.

De afvalfase:
Als puin is cellenbeton niet recycleerbaar, een belangrijk nadeel Cellenbetonelementen zijn in hele vorm herbruikbaar als ze worden gedemonteerd (gebeurt niet in de praktijk).

Samengevat: Cellenbeton heeft een interessantere levenscyclus wanneer bijvoorbeeld gebruikt ter vervanging van een spouwmuur. Men moet het wel beschermen langs de buitenzijde (met een pleisterlaag). Binnen het ecologisch bouwen verdien kalkzandsteen de voorkeur, maar de isolatiewaarde hiervan is veel minder.

MILIEUKADER:
Milieukader 2: oppervlaktedelfstoffen

 

Dubbel of meervoudig glas

OMSCHRIJVING:
Meervoudig glas wordt opgebouwd uit twee of meerdere glasbladen met daartussen een hermetisch afgesloten spouw. De spouw is gevuld met droge lucht of gas, zodat een evenwicht bestaat tussen de atmosferische druk binnen en buiten de glasplaten. Het gebruik van gassen in de spouw zorgen voor een betere akoestische en thermische isolatie. Ook de breedte van de spouw (15 mm is optimaal) en de dikte van de glasplaten hebben een invloed op de isolerende waarde van het glas.
Tegenwoordig wordt er op de binnenzijde van de glasplaten een isolerende coating aangebracht, waardoor de isolerende waarde nog verbetert, terwijl zonlicht grotendeels wordt doorgelaten. Dit is dan HR+ en HR++ glas.

Meervoudig glas kan specifiek warmtewerende eigenschappen verkrijgen. Hierbij wordt één van de glasplaten vervangen door absorberend of zonnereflecterend glas.

TOEPASSING:
Dubbel en meervoudig glas wordt vooral gebruikt in de bouwsector.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Verwerking
Doordat er meerdere glasplaten gebruikt worden, zijn meer grondstoffen nodig dan bij enkel glas.

Gebruik
Meervoudig glas heeft een beter isolerend vermogen dan enkel glas.

Samengevat
De productie van dubbel of meervoudig glas vergt meer energie, omdat er verschillende glasplaten nodig zijn. De isolerende waarde, en dus de mogelijke energie- en andere besparingen, ligt zoveel hoger dat de extra energie in de productiefase snel wordt opgevangen in de gebruiksfase. Indien de isolerende waarde van belang is in de toepassing van glas, dan is het gebruik van meervoudig glas aan te raden.

MILIEUKADER:
Milieukader 2: oppervlaktedelfstoffen

Gehard glas

Dit soort glas is floatglas dat getempert is tijdens productie d.m.v. thermische harding. Gehard glas wordt zo geproduceerd dat er een voorspanning binnenin de glasplaat ontstaat die ervoor zorgt dat het glas beter bestand is tegen breken.
Wanneer gehard glas dan toch breekt, dan gebeurt dit in kleine stukjes zonder scherpe randen door de interne spanningen.
Onder gehard glas valt ook chemisch gehard glas.

Meer informatie over verschillende glassoorten.

Gelaagd glas

Gelaagd glas is zeer schokbestendig. Het bestaat uit één of meerdere glasplaten (floatglas) waartussen één of meerdere lagen PVB-film (polyvinyl butyrol) zijn aangebracht. De sterkte van het glas hangt af van de dikte van de film en de dikte van het glas.

Meer informatie over verschillende glassoorten.

Gips

OMSCHRIJVING:
Gips is een verbinding van calciumsulfaat met kristalwater. Deze verbinding vindt men in de natuur en als reststof ontstaat bij industriële processen.
Er bestaan verschillende soorten industriële afvalgips (zoals fosforzuur-, fluoro-, magnesiumoxide- en rookgasontzwavelingsgips), die afkomstig zijn van het 'wassen' van afvalgassen in de industrie. Rogips is afkomstig van elektriciteits- en vuilverbrandingsinstallaties.
Van de genoemde afvalgipsen wordt in de bouw vooral rookgasontzwavelingsgips (rogips) toegepast.

Gipskartonplaten:  bestaan uit een kern van zuiver gips omhuld door een laagje karton. Gipskartonplaten zijn lichter in gewicht en minder stijf dan gipsvezelplaten, daardoor zijn ze makkelijker te verwerken.
Gipsvezelplaten: bestaan uit een mengsel van gips en cellulose (afkomstig van oud papier of houtvezel). Ze zijn sterker, beschadigen minder snel en zijn ook beter bestand tegen vocht dan gipskartonplaten.

TOEPASSING:
Voordeel is dat gipsplaten brandwerend en brandvertragend zijn. De platen zijn relatief breekbaar en niet vochtbestendig (er bestaan wel platen voor in vochtige binnenruimten). Gipsplaten worden dan ook alleen voor binnentoepassingen gebruikt.
Vooral voor wanden en plafonds: gipsplaten op houten of metalen regelwerk en ook als bepleistering (kan ook gespoten worden).
Anhydriet voor dekvloeren bevat ook gips.

Gipsblokken zijn, in verband met oplossingsmogelijkheid en beperkte vorstbestendigheid (door de porositeit), minder geschikt voor buitentoepassingen.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Winning
Natuurgips wordt gewonnen in Frankrijk en Duitsland en heeft als nadeel dat bij winning aantasting van het landschap plaatsvindt.
Vroeger werd afvalgips vaak gestort (in zee); tegenwoordig worden deze restmaterialen nuttig toegepast.

Transport
Afvalgipsen zijn afkomstig van de eigen industrie en hoeven dus niet ver te worden getransporteerd.

Verwerking
Van de verwerking van natuurgips zijn weinig milieubelastende of gezondheidsaantastende effecten bekend. Afvalgipsen zijn op zich al chemisch vervuild en kunnen bij verdere verwerking nadelige gezondheidseffecten hebben.

Gebruik
Begin jaren tachtig was de afgifte van radongas (radioactief) uit gips in het nieuws. Dit radongas kwam voornamelijk vrij uit fosforgips, een gipssoort die afkomstig is uit de productie van fosfaten voor de kunstmest- of wasmiddelenindustrie. Deze gipssoort wordt niet meer gebruikt in gipsplaten of gipsblokken. Uit de andere gipssoorten komt een verwaarloosbare hoeveelheid radongas vrij, vergeleken met de hoeveelheid radongas die van nature in de bodem aanwezig is.

Rogips heeft in tegenstelling tot die gipssoorten geen hoge radioactiviteit. Het is dus een prima restmateriaal om in de bouw toe te passen.

De afvalfase
Zelden wordt gips in zijn oorspronkelijke vorm uit een gebouw gehaald: blokken zijn beschadigd; platen gebroken. Direct hergebruik is dus, hoewel theoretisch mogelijk, in de praktijk moeilijk te realiseren.
Gipsblokken, gips(karton)platen en gipsspuitwerk moeten eigenlijk worden verwijderd voordat de rest van het gebouw wordt afgebroken.
Anhydriet kan van een onderliggende vloerconstructie worden losgehouden door een folielaag.
Bij sloop moeten gips en anhydriet apart worden gehouden van beton- en metselwerkpuin, omdat het zachte gips de kwaliteit van puingranulaat negatief beïnvloedt. Bovendien kunnen gips en anhydriet water opnemen en zwellen. In de afvalfase kan gips dus alleen maar worden gestort.

samengevat: gips hoeft niet ver getransporteerd te worden als het om afvalgipsen gaat. (vroeger werden deze in zee gestort). Het spreekt vanzelf dat als deze al vervuild zijn of schadelijke stoffen bevatten, het gebruik en de afvalverwerking afgeraden wordt. In de ecologische bouw wordt gipsbepleistering meestal vervangen door leem.

MILIEUKADER:
Milieukader 2: Materialen uit oppervlaktedelfstoffen.

Kalkzandsteen

OMSCHRIJVING:
Kalkzandsteen bestaat voor en 92 tot 95% uit zand en 5 tot 8% uit kalk. De stenen worden niet gebakken maar gestoomd.
Soortelijke massa van kalkzandsteen is ongeveer 2000 kg/m2.

TOEPASSING:
Te verlijmen blokken voor (dragende) binnenwanden of stenen die worden vermetseld.
kalkzandsteenblokken zijn niet geschikt voor buitentoepassingen omdat ze worden afgebroken door zuren (bijvoorbeeld door zure regen). klinkers van kalkzandsteen wel.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Winning:
De meeste (steen)kalk komt uit Duitsland en België en is ruim voorradig. Kalk is meer voorradig dan klei, waardoor hier de bezwaren van uitputting minder tellen. Kalkwinning levert dezelfde taferelen op als bij merge (aantasting van het landschap en het bijbehorende ecosysteem).
Men kan steenkalk vervangen door schelpkalk (van schelpdieren - dus aangroeibaar te noemen – maar ook eindig).

Transport:
De transportafstand (en -energie) is iets hoger dan bij baksteen.

Verwerking:
Het materiaal wordt niet gebakken maar gestoomd: de kalk gaat daardoor een verbinding aan met het zand. Dat kost minder energie dan bakken of sinteren. Bij het bereiden van kalkzandsteen komt wel veel CO2 vrij. (Verder nagenoeg geen schadelijke emissies).

Gebruik:
Kalkzandsteen heeft geen schadelijke invloed op de gezondheid. Losse kalkproducten (bijv. stukadoorkalk) zijn irriterend aan de huid.

De afvalfase:
Met de gebruikelijke cementspecie of cementlijm kunnen kalkzandsteenblokken en metselsteen moeilijk in hun hele vorm worden hergebruikt.
Door het kalkgehalte kan kalkzandsteen als puingranulaat niet in beton worden gebruikt. Vermenging met ander puin is dus niet wenselijk. Wat resteert is gebruik als materiaal voor (weg)funderingen.

Samengevat: Bij het productieproces en verwerkingsproces is kalkzandsteen milieuvriendelijker dan metselwerk in beton, baksteen, of cellenbeton. In de afvalfase heeft het net zoals cellenbeton een probleem.

MILIEUKADER:
Milieukader 2: materialen uit oppervlaktedelfstoffen.