Tapijt
Tapijt bestaat uit een onderlaag (de rug) en een bovenlaag (de pool). Tapijten worden geweven of getuft.
-Synthetisch: De rug kan bestaan uit: jute, PVC, polyurethaan, polypropyleen, rubber of kunststofschuim
De pool meestal uit: polyamide, acryl, polypropyleen en wol.
-Natuurtapijt kan uit geitenhaar bestaan. Van de vloerbekledingen vervaardigd uit plantaardige vezels zijn sisalvezels de meest geraffineerde. Kokosvezels zijn stevig en ongevoelig voor bacteriën.
TOEPASSING:
Tapijt kan kamerbreed of volgens bepaalde afmetingen aangeschaft worden. Door de (mogelijk) geringe dikte is het dikwijls een keuze (naast linoleum of kurk bijv.) als er al een ondervloer ligt of voor de sfeer en de warmte.
Microörganismen zoals sporenelementen, stofmijten en schimmels kunnen op verschillende manieren in tapijt terecht komen en zo een bron vormen van allergieën, ademhalingsproblemen en infecties. Synthetische tapijten trekken veel stof aan, maar zijn minder gevoelig aan huisstofmijt.
Een hoge luchtvochtigheid bevordert huisstofmijt. Voor ruimtes met een hoge luchtvochtigheid zijn wollen tapijten niet geschikt.
MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:
Ontginning:
De kunststof voor synthetisch tapijt wordt gemaakt uit aardolie (zie beschrijving op deze site van PVC, PP, PUR). Bij de teelt van (niet biologisch) katoen worden meestal grote hoeveelheden bestrijdingsmiddelen gebruikt. Heel vaak is tapijt ook een reservoir van pesticiden, onder meer mottenwerende middelen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij veel wollen tapijten.
Productie:
Tijdens het productieproces worden producten tegen statische elektriciteit, brandwerende middelen enz. toegevoegd. Bijvoorbeeld dienen gebromeerde vlamvertragers om de ontvlambaarheid van het textiel te verminderen. (Maar deze stoffen zijn persistent en kunnen bio accumuleren: dit wil zeggen dat ze op korte termijn niet verdwijnen maar opgestapeld worden, dus steeds vermeerderen. Er zijn verschillende hormoonverstorende effecten gekend. Bron: Vibe).
De rug van het tapijt kan schadelijke stoffen bevatten zoals formaldehyde of bepaalde vluchtig organische stoffen (VOS), bijvoorbeeld koolwaterstoffen (benzeen, tolueen, xyleen).
De kleurstoffen en pigmenten in tapijten kunnen zware metalen en andere chemische stoffen bevatten.
Bij wollen tapijten zijn vaak nog pesticiden (bijv. mottenwerende middelen) aanwezig.
Tapijten met plantaardige vezels kennen geen emissies van schadelijke stoffen, op voorwaarde dat ze niet verlijmd zijn of verlijmd zijn met lijmen die geen of een zwakke emissie hebben.
De productie van polyamide tapijt kost drie maal zoveel energie als de productie van wol.
Plaatsing:
Tapijten kunnen los gelegd worden. Voor het plaatsen van vasttapijt wordt heel de ondergrond ingelijmd, zeer belangrijk onderdeel dus. Over lijmen vindt u meer in de fiche ‘Lijmen voor muur- en vloerbekledingen’ van Vibe vzw.
Milieuvriendelijker is het vastzetten met klittenband of beter het opspannen.
Gebruik:
Ook het onderhoud van tapijt kan problematisch zijn. Tapijt wordt vaak gestofzuigd. Bij het stofzuigen worden wel de grotere stofdeeltjes opgezogen, maar het fijnste stof, bacteriën enz. wordt terug in de ruimte geblazen. Een HEPA-filter (om het half jaar te vervangen) of een centraal stofzuigsysteem brengt geen stof in de omgeving. Chemische reinigingsmiddelen worden beter vermeden (kan ook met een eenvoudig zeepsopje), alleszins moet goed verlucht worden.
Samengevat: Beste keuze voor tapijten: geen synthetische maar natuurlijke, nagroeibare materialen zoals wol, geitenhaar, zeegras, sisal, kokos en bij voorkeur met een eco-label zoals: het GUT-label (garanderen een minimale uitstoot). Het RUGMARK-label garandeert daar bovenop ook productie zonder kinderarbeid.
Alternatief: Getufte tapijten hebben een onderlaag van jute (geen PVC), beter dan synthetische materialen of een mengeling met vezels van dierlijke oorsprong.
Indien lijm gebruikt wordt moet deze vrij zijn van schadelijke stoffen zoals acrylamide, acrylnitrile, vinylacetaat, benzeen, dioxaan, methanol, ethanol (met label EMICODE EC1).
MILIEUKADER:
Milieukader 1: nagroeibare grondstoffen
Milieukader 3: petrochemische grondstoffen.


