Binnenschrijnwerk

Composteerbaar kunststof

OMSCHRIJVING:
Composteerbaar kunststof wordt gemaakt van aardolie of hernieuwbare materialen, zoals zetmeel uit maïs of aardappelen. Plastic van deze laatste bron heet ook wel bio-plastic.
Deze kunststoffen komen dus voort uit natuurlijke, hernieuwbare grondstoffen en niet langer uit synthetische producten

TOEPASSING:
Tegenwoordig worden ze meest gebruikt voor verpakkingen in plaats van folies zoals PE (polyetheen), PP (polypropeen) en PS (polystyreen).
Maar ook in de designsector vinden ze hun opmars als biopolymeren.

MILIEUOVERWEGINGEN:
De milieuwinst van bioplastics zit in het verschil in grondstoffengebruik, niet in het composteren. Tijdens het composteringsproces valt een composteerbare verpakking namelijk uiteen in water en CO2 - het levert verder geen compost op.

afval:

Bij verbranding leveren composteerbare verpakkingen nog energie op. Aangezien de plantaardige grondstoffen niet eindig zijn, gaat het hier om een vorm van duurzame energie.

Composteerbaar materiaal op basis van aardolie levert dus geen milieuvoordeel op.

Samengevat: Composteerbare verpakkingen zijn gemaakt van aardolie (synthetische composteerbare polyesters) of plantaardige materialen. Dus de oorsprong is niet altijd milieuvriendelijk. Een composteerbare verpakking van eetwaren is herkenbaar aan het kiemplantlogo.
Sommige bekers op evenementen zijn composteerbaar, maar het blijft de kunst ze apart in te zamelen.
Voor toepassing in meubels of interieurs zijn er nog enkele nadelen: ze zijn niet te kleuren en ze zijn niet sterk. Het blijft dus de uitdaging naar ontwerpers en onderzoekers het materiaal te verbeteren.


MILIEUKADER
milieukader 1: hernieuwbaar
milieukader 3: op basis van aardolie

PU(R) Polyurethaan

OMSCHRIJVING:
PU of PUR is polyurethaan en is een thermoharder.

TOEPASSING:
PUR wordt gebruikt als (zacht) schuim voor matrassen en zittingen, (hard) schuim voor isolatie en kierdichting en door zijn kleverige hechting wordt PUR ook gebruikt in sandwichpanelen en geïsoleerde deuren. Omwille van elstische en krasbestendige eigenschappen wordt PU gegoten als afwerklaag bij gietvloeren.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Ontginning:
Voor de productie van PUR worden de volgende stoffen gebruikt: propeen- en etheendioxide, ethyleenglycol, fosgeen, adipinezuur, tolueendiamine, benzeen en MDI of TDI. (benzeen is schadelijk voor de gezondheid).

Verwerking:
Net als bij PS werden in PUR tot 1997 als blaasmiddel CFK’s gebruikt (ondertussen verboden wegens aantasting ozonlaag). Tegenwoordig bestaan er twee geschuimde PUR-soorten, onderscheiden door hun blaasmiddel: PUR met HCFK's (die nog steeds de ozonlaag aantasten) en PUR met pentaan (iets milieuvriendelijker).

Gebruik:
PUR is tamelijk agressief voor de huid (het verkleeft en trekt erin).

De afvalfase
PUR kan in de vorm van isolatieplaat en dergelijke hergebruikt worden.
Het grote probleem is er als PUR gescheiden moet worden (bijvoorbeeld sandwichpanelen), dan worden alle onderdelen waaraan PUR zit verkleefd chemisch afval.
Bij verbranding van PUR komt het voor mens en milieu schadelijke blauwzuurgas vrij (cyaanwaterstof=HCN).

Samengevat: Zoals bij andere kunststoffen is ook dit materiaal niet de eerste keuze die kan gemaakt worden, een zeer schadelijk productieproces en vooral de afvalfase is nefast voor de levenscyclusanalyse. Natuurlijker (isolatie)materialen zijn aangewezen. Ook kunststoffen uit milieuvriendelijker grondstoffen (milieukader 1) en die beter recycleerbaar zijn genieten de voorkeur. Bij de keuze voor kunststoffen moet de levensduur nagegaan worden en voorkeur gegeven worden aan thermoplasten, wegens de recycleerbaarheid.


MILIEUKADER:
Milieukader 3: petrochemische grondstoffen.

Hout

Op de website van het Belgische Woodforum kan je allerlei informatie vinden over hout, de eigenschappen van dit materiaal, ondersteunende informatie die je kan helpen bij het maken van een geschikte keuze voor bepaalde toepassingen, technische fiches van de meest courante houtsoorten, etc...

Verschillende houtsoorten staan op deze site beschreven. 

parket

Een massieve parket- of plankenvloer bestaat uit verschillende planken uit één stuk die één voor één (volgens een bepaald patroon) op de ondervloer geplaatst worden.
Meestal maakt men een ‘strokenparket’, bij brede stroken spreekt men ook over ‘plankenvloer’.
De dunnere soort (ongeveer 10 mm dik) wordt vaak verlijmd en vernageld op een ‘onderparket’, dat bestaat uit goedkope parketsoort, spaanderplaten, multiplexplaten of OSB-platen.
Dikkere (minimum 13 mm, meestal 20 à 22 mm dik) parket wordt rechtsreeks op een isolatielaagje of houten balklaag gelegd.

Een fineerparket bestaat uit een drager (die de sterkte maakt), meestal MDF. En een toplaag uit echt hout (en niet uit kunststof zoals bij laminaat).

Een meerlagig of gelamelleerd parket bestaat uit verschillende lagen: een onderlaag, meestal uit naaldhout of multiplex, een tussenlaag van dennenhout (maar vaak ook uit MDF of HDF) en tenslotte een toplaag van harder massief hout. Het voordeel van meerlagig parket is dat het minder kromtrekt dan volhout.

TOEPASSING:
Meestal worden voor een houten vloer harde houtsoorten gebruikt, die tegen een stootje kunnen (bijvoorbeeld eik of tropische houtsoorten).
Voor minder belopen vloeren, slaapkamers en dergelijke, volstaan minder harde houtsoorden, zoals vuren, dennen, grenen enz. Die zijn ook goedkoper.
Houten vloeren kunnen mits de juiste houtsoort op de juiste plaats ook in vochtige ruimten worden toegepast.
Met bijvoorbeeld eik is de combinatie met vloerverwarming zelfs mogelijk.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclusanalyse:

Herkomst:
Volhouten vloeren zijn natuurlijk, hout is nagroeibaar, maar…De herkomst van het hout geeft bij parketvloeren een belangrijke milieufactor. Een label dat zowel de bestaande oerbossen als de werkomstandigheden respecteert is ook in ons land al zeer veel gebruikt: FSClabel. http://fsc.wwf.be/

Verwerking:
Het hout wordt tot massieve planken verzaagd. Plaatsen kan op verschillende manieren:
-Houten vloeren vastnagelen op houten vloerbalken is de traditionele vorm van plaatsing. Tussen de houten roostering en de houten vloer kan akoestische isolatie aangebracht worden (bijvoorbeeld kurk, houtvezelplaten..., om contactgeluid te dempen).
Het milieuvoordeel is dat er geen lijm wordt gebuikt. Het hout kan wel ‘werken’ wat bij een natuurlijk materiaal onvermijdelijk is.
-Op een ondergrond van beton of hout(en platen) kan parket ook verlijmd worden. Bij het belopen is er dan minder resonantie dan bij een zwevende vloerconstructie, maar wel een grotere geluidsoverdracht naar de lagere verdiepingen.
De hele vloeroppervlakte moet ingelijmd worden. Dus veel lijm en mogelijk daardoor een slechte luchtkwaliteit.
De verschillende soorten lijmen en hun evaluatie op het vlak van gezondheid zijn terug te vinden in de fiche ‘lijmsoorten voor muur- en vloerbekledingen’  van VIBE vzw.
-Een ‘zwevende’ vloer wordt meest bij fineerhout toegepast. Er wordt eerst een akoestische isolatie gelegd tussen de draagvloer en de houten afwerkvloer. De houten lamellen (tand en groef) kunnen dan los op deze laag liggen.

Gebruik:
Het voordeel van massief hout is dat men het honderden jaren kan blijven gebruiken. Als het hout bijvoorbeeld erg beschadigd is, kan er gewoon een dunne laag worden afgeschuurd en eventueel opnieuw worden behandeld. (Dat kan niet bij fineervloeren met een dunne toplaag en zeker niet bij laminaatvloeren.)

Afwerking:
Vluchtige organische stoffen
(VOS) die vrijkomen uit vernissen en andere afwerkingslagen (en ook uit lijmen) zijn vaak schadelijk voor de gezondheid. Vandaar is het zeer belangrijk bij afwerken van het parket om de ruimte goed te verluchten.
Door hout te vernissen met een harde toplaag (polyurethaanvernis bijvoorbeeld), verdwijnt de ‘ademende’ en vochtregulerende invloed van het hout op het binnenklimaat. Synthetische vernissen kunnen daarbij elektrostatisch opladen.
Meest gebruikt zijn:
-Bij intensief gebruik:vernissen op basis van ureumformaldehyde (bevatten dus  formaldehyde) of tweecomponentenvernissen op basis van polyurethaan (geven tijdens het gebruik irriterende isocyanaten vrij),
-Bij normaal gebruik: Eéncomponentvernissen op basis van polyurethaan en vernissen op basis van acryl (oplosbaar in water). Deze bevatten geen solventen, drogen snel, maar bevatten veel vluchtige glycol-esters (schadelijke invloeden nog niet duidelijk).
-Bij vochtige ruimten: Epoxyvernissen.

Alle vorige vernissen komen uit de petrochemische sector.
Natuurlijke vernissen bevatten geen, of veel minder, chemische componenten. Maar zijn dan weer minder hard.
Nadeel van vernissen is ook dat bij plaatselijke diepe beschadigingen er schimmels of zwarte vlekken onder de vernislaag kunnen ontstaan.
Houten vloeren oliën, behandelen met was en/of boenen geeft eigenlijk een beter resultaat dan vernissen en laat toe dat het hout kan ademen. Een geoliede vloer kan ook goed tegen water. Krassen en vetvlekken kunnen gemakkelijk weggewerkt worden.

Afval:
Zowel volhouten als gelamelleerd houten vloeren zijn makkelijk herbruikbaar. Bij volledig verlijmde vloeren is er wel het probleem het hout intact van de ondergrond te krijgen.

Samengevat: Als het hout niet chemisch behandeld is en de afwerklaag en de eventuele verlijming geen ongezonde producten bevatten, dan is een houten vloer een zeer natuurvriendelijke oplossing.
Als het om tropisch hout gaat is het FSC label een vereiste. Behandeling met plantaardige olie geniet de voorkeur. Bij houten vloeren zijn ook reeds voorbehandelde planken beschikbaar met milieulabel (vb. Natureplus).
zie ook onze fiche over massief hout.

Milieukader:
Milieukader 1: uit natuurlijke grondstoffen.

Gips

OMSCHRIJVING:
Gips is een verbinding van calciumsulfaat met kristalwater. Deze verbinding vindt men in de natuur en als reststof ontstaat bij industriële processen.
Er bestaan verschillende soorten industriële afvalgips (zoals fosforzuur-, fluoro-, magnesiumoxide- en rookgasontzwavelingsgips), die afkomstig zijn van het 'wassen' van afvalgassen in de industrie. Rogips is afkomstig van elektriciteits- en vuilverbrandingsinstallaties.
Van de genoemde afvalgipsen wordt in de bouw vooral rookgasontzwavelingsgips (rogips) toegepast.

Gipskartonplaten:  bestaan uit een kern van zuiver gips omhuld door een laagje karton. Gipskartonplaten zijn lichter in gewicht en minder stijf dan gipsvezelplaten, daardoor zijn ze makkelijker te verwerken.
Gipsvezelplaten: bestaan uit een mengsel van gips en cellulose (afkomstig van oud papier of houtvezel). Ze zijn sterker, beschadigen minder snel en zijn ook beter bestand tegen vocht dan gipskartonplaten.

TOEPASSING:
Voordeel is dat gipsplaten brandwerend en brandvertragend zijn. De platen zijn relatief breekbaar en niet vochtbestendig (er bestaan wel platen voor in vochtige binnenruimten). Gipsplaten worden dan ook alleen voor binnentoepassingen gebruikt.
Vooral voor wanden en plafonds: gipsplaten op houten of metalen regelwerk en ook als bepleistering (kan ook gespoten worden).
Anhydriet voor dekvloeren bevat ook gips.

Gipsblokken zijn, in verband met oplossingsmogelijkheid en beperkte vorstbestendigheid (door de porositeit), minder geschikt voor buitentoepassingen.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Winning
Natuurgips wordt gewonnen in Frankrijk en Duitsland en heeft als nadeel dat bij winning aantasting van het landschap plaatsvindt.
Vroeger werd afvalgips vaak gestort (in zee); tegenwoordig worden deze restmaterialen nuttig toegepast.

Transport
Afvalgipsen zijn afkomstig van de eigen industrie en hoeven dus niet ver te worden getransporteerd.

Verwerking
Van de verwerking van natuurgips zijn weinig milieubelastende of gezondheidsaantastende effecten bekend. Afvalgipsen zijn op zich al chemisch vervuild en kunnen bij verdere verwerking nadelige gezondheidseffecten hebben.

Gebruik
Begin jaren tachtig was de afgifte van radongas (radioactief) uit gips in het nieuws. Dit radongas kwam voornamelijk vrij uit fosforgips, een gipssoort die afkomstig is uit de productie van fosfaten voor de kunstmest- of wasmiddelenindustrie. Deze gipssoort wordt niet meer gebruikt in gipsplaten of gipsblokken. Uit de andere gipssoorten komt een verwaarloosbare hoeveelheid radongas vrij, vergeleken met de hoeveelheid radongas die van nature in de bodem aanwezig is.

Rogips heeft in tegenstelling tot die gipssoorten geen hoge radioactiviteit. Het is dus een prima restmateriaal om in de bouw toe te passen.

De afvalfase
Zelden wordt gips in zijn oorspronkelijke vorm uit een gebouw gehaald: blokken zijn beschadigd; platen gebroken. Direct hergebruik is dus, hoewel theoretisch mogelijk, in de praktijk moeilijk te realiseren.
Gipsblokken, gips(karton)platen en gipsspuitwerk moeten eigenlijk worden verwijderd voordat de rest van het gebouw wordt afgebroken.
Anhydriet kan van een onderliggende vloerconstructie worden losgehouden door een folielaag.
Bij sloop moeten gips en anhydriet apart worden gehouden van beton- en metselwerkpuin, omdat het zachte gips de kwaliteit van puingranulaat negatief beïnvloedt. Bovendien kunnen gips en anhydriet water opnemen en zwellen. In de afvalfase kan gips dus alleen maar worden gestort.

samengevat: gips hoeft niet ver getransporteerd te worden als het om afvalgipsen gaat. (vroeger werden deze in zee gestort). Het spreekt vanzelf dat als deze al vervuild zijn of schadelijke stoffen bevatten, het gebruik en de afvalverwerking afgeraden wordt. In de ecologische bouw wordt gipsbepleistering meestal vervangen door leem.

MILIEUKADER:
Milieukader 2: Materialen uit oppervlaktedelfstoffen.

Natuurverf

OMSCHRIJVING:
Verven op (lijn)oliebasis zijn veel minder schadelijk voor het milieu dan alkydehars- of acrylaatdispersieverven.
Als bindmiddel wordt gebruik gemaakt van lijnolie (of houtolie) en natuurharsen (damarhars, colophonium), als minerale bindmiddelen o.a. kalk, kalkcaseïne, leem.

Oplosmiddel: Terpentijn is een natuurlijk oplosmiddel, dat ook toxisch is en als verdunningsmiddel wordt gebruikt. Ook citrusolie kan hiervoor dienen, maar is zeer duur. Verven met terpentijn kunnen in verband met de giftigheid ervan het best zo weinig mogelijk verdund worden.
Natuurverf op waterbasis heeft enkel water als oplosmiddel.

Pigmenten zijn van organische (plantaardig of dierlijk) of minerale oorsprong. (aardpigmenten, ijzer- of metaaloxiden).
Een aantal natuurverven bevat ook kunstmatige pigmenten (die dan ook toxisch kunnen zijn).

Hulpstoffen zijn zoveel mogelijk afkomstig van hernieuwbare grondstoffen. Bijv. Etherische oliën als bewaarmiddel. Antischimmel en antiroestmiddel worden niet toegevoegd.

TOEPASSING:
(Lijn)olieverf hecht zeer goed en is elastischer dan de synthetische verven. Het is dampdoorlatend en niet statisch oplaadbaar, maar ook minder duurzaam.
Verf op lijnoliebasis moet in drie tot vier lagen worden aangebracht en heeft - in geval van hoogglansverf - een lange droogtijd.

-Natuurverf in poedervorm is het meest ecologisch, maar moet dus ter plaatse worden aangemaakt. Voordeel is dat geen bewaarmiddelen (die schadelijk zouden kunnen zijn voor het milieu) toegevoegd worden. Nadeel is wel dat aangemaakte verf niet lang kan bewaard worden.

-Natuurverf in vloeibare vorm wordt meestal in geconcentreerde vorm aangeleverd.

Toepassing op hout, ijzer, muren enz.
Silicaatverf wordt vooral gebruikt voor buitentoepassingen.
Kookverf is geschikt voor onbewerkt, ruw en verweerd hout.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Winning:
Echt volledige natuurverf is dus samengesteld uit natuurlijke (hernieuwbare) grondstoffen. Voor verf in poedervorm is het volume dat naar de winkel moet vervoerd worden compacter.

De afvalfase:
-recyclage: de verpakkingen zijn voor poederverf karton of papier, voor vloeibare verf: blik of herbruikbare kunststof. 
-stort: De verfresten zijn composteerbaar. De fabrikant vermeldt meestal op het etiket in welke vorm verfresten kunnen gecomposteerd worden (in vloeibare vorm of verdund met water of ingedroogd).

Samengevat: Natuurverven hebben dus al een streepje voor bij de milieuoverwegingen wegens hun grondstoffen. De keuze voor verven zonder VOS (vluchtige organische stoffen, die mee aan de basis liggen van de hoeveelheid ozon in de lucht) is zeer belangrijk als milieustandpunt. Ook voor de mensen die ermee werken zijn deze stoffen schadelijk. Vibe v.z.w. geeft bij de eerste keuze voor natuurverf het ecolabel ‘natureplus’ als meest betrouwbare. Als tweede keuze watergedragen natuurverven en als alternatief: Verven met een ander eco-label dan natureplus.

MILIEUKADER:
Milieukader 1: nagroeibare grondstoffen

Acrylaatdispersieverf

(acrylaatverf-acrylverf-vinylverf-latexverf)

OMSCHRIJVING:
Acrylaatdispersieverven  zijn watergedragen verven.
Bindmiddel: acrylaathars of vinylhars.
Oplosmiddel: water. Acrylaatverf wordt om zijn waterverdunbaarheid wel eens waterverf genoemd, maar dat is het zeker niet. In acrylaatdispersieverf worden in plaats van VOS (Vluchtige Organische Stoffen) ook alcohol en glycolethers gebruikt. (en 5 tot 10% organisch oplosmiddel). Deze verdampen dan reukloos.
Pigmenten kunnen van organische (petrochemische) of minerale oorsprong zijn.

TOEPASSING:
Muur- en plafondverven, ook houtverven.
Acrylaatverf is beter UV-bestendig en elastischer dan alkydverf, waardoor er minder vaak hoeft te worden bijgeschilderd. De verf is elastisch en daardoor zeer geschikt voor plaatsen met hoge vochtigheid of kans op scheurvorming.
Latexverven zijn goed bestand tegen vuil (afwasbaar) en spatwater.
Acrylaatverf hecht niet goed op alkydharsverf.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Gebruik:
Acrylaatdispersieverf bevat meestal ongeveer 15% terpentine; de verf is dus niet helemaal VOS-vrij. Terpentine kan (huid)irritaties veroorzaken.

De afvalfase
Eigenlijk mag het materiaal waarmee de verf is aangebracht niet onder de kraan worden uitgespoeld. Het spoelwater van acrylaatdispersieverf is namelijk ook chemisch afval en moet apart opgevangen worden. (Rioolwaterzuiveringsinstallaties worden hierdoor zwaarder belast met ecotoxische verfresten).
Verwijderen:Acrylaatverf kan niet met een hitte en krabber worden verwijderd, alleen met oplosmiddelen. De opgeloste verf is weer chemisch afval.

Samengevat: Verven op waterbasis (acrylaatdispersieverven) geven het idee milieuvriendelijk te zijn. Maar ze bevatten dus evengoed toxische (o.a. schimmelwerende) middelen als alkydharsverf. De gevolgen voor de blootstelling aan de dampen (glycolethers en –esters als oplosmiddel) van schilders, zijn nog niet helemaal bekend. Ook hier geldt: een goede verluchting tijdens het schilderen.
De keuze voor deze verven is dus afhankelijk van de weerstand die ze moeten bieden en hoe lang ze zullen meegaan. Vanuit milieuoogpunt is verf op basis van hernieuwbare grondstoffen aangeraden. Er bestaat ook natuurlatexverf. Een keuze voor natuurverf (ecolabel) moet overwogen worden.

MILIEUKADER:
Milieukader 3: Materialen uit petrochemische grondstoffen.

alkydverf

OMSCHRIJVING:
Alkydverf heeft een solventbasis.
Bindmiddel is Alkydhars
Pigmenten kunnen van organische (petrochemische) of minerale oorsprong zijn.

Alkydharsverf bevat dus drie (schadelijke) basisingrediënten: bindmiddel, pigment, oplosmiddel (VOS, vluchtige organische stoffen: 40 tot 60% organisch oplosmiddel, vaak white spirit) en mogelijk vulstof.

High solid alkydverf bevat veel minder oplosmiddelen (VOS) 15 tot 25% organisch oplosmiddel.
High-solidverf wordt al in één of twee (dus minder) lagen dekkend aangebracht.
Er bestaat tegenwoordig ook 'monodek'-verf, die in één laag dekkend wordt aangebracht.

TOEPASSING:
Alkydharsverf heeft als voordeel dat het op vrijwel elke ondergrond hecht.
Op muren en plafonds. Waar de verf bestand moet zijn tegen mechanische belasting en (extreme) weersomstandigheden.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Productie:
Producten op basis van aardoliederivaten zijn vanuit milieustandpunt niet aan te raden.

Gebruik:
De VOS in traditionele (alkydhars-)verven en lijmen kunnen OPS (een vorm van zenuwaantasting) en uiteindelijk aantasting van de hersenen veroorzaken bij schilders en mensen die vaak of langdurig in een omgeving met net geschilderde of gelijmde producten verblijven. Belangrijk is de ruimte goed te ventileren.
Het zijn dus vooral de oplosmiddelen die vaak schadelijk zijn: deze dienen om roest, schimmel en bederf  tegen te gaan. Er worden ook droogstoffen gebruikt en verdikkingsmidddelen zoals polyacrylaat.

De afvalfase:
Alkydverven - maar dat geldt voor alle verfsoorten - zijn chemisch afval (KGA). Wegspoelen via de goot is uit den boze. Problemen met de waterzuivering en oppervlaktewater komen hieruit voort.
Alkydverf kan relatief eenvoudig worden verwijderd met een hete luchtblazer (de oplosmiddelen zijn dan al uitgedampt, dus geven geen gevaar meer).

Samengevat: Men kiest best steeds materiaal dat tegen de te weerstane weersomstandigheden kan, in eerste instantie moet men proberen verf te vermijden. Bij gebruik van verf of vernis, is verf op waterbasis, acrylaatdispersieverf en in het bijzonder natuurverf (ecolabel) aan te raden.

MILIEUKADER:
 
Milieukader 3: Materialen uit petrochemische grondstoffen.

PC (polycarbonaat)

OMSCHRIJVING:
PC staat voor polycarbonaat, een transparante kunststof.
PC is een thermoplast

TOEPASSING:
PC wordt onder andere gebruikt voor CD's en als onbreekbaar 'glas' in overkappingen, wanden, gebogen raamvlakken,…

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Ontginning:
De winning van aardolie kan zorgen voor verstoring en aantasting van bodemprocessen. De meeste winning van olie vindt plaats in het Midden-Oosten en op zee. Het transport van de ruwe olie gebeurt met zeetankers. Op zich ook al een milieurisico.

Verwerking:
Bij de productie van PC worden bisfenol A, dichloormethaan, fosgeen en pyridine gebruikt.
 
Gebruik:
In geval van brand gaat PC druipen, wat een gevaarlijke situatie teweegbrengt.

De afvalfase
-recyclage: Zowel PC is direct te hergebruiken en te recycleren.
-verbranden: bij het volledig verbranden van PC komen in principe alleen waterstof, koolstof en zuurstof vrij.

Samengevat: Er zou nog maar voor een 40tal jaren aardolie beschikbaar zijn. Het gebruik van kunststoffen uit milieuvriendelijker grondstoffen en die ook beter recycleerbaar zijn geniet de voorkeur.
Bij keuze voor kunststoffen moet de levensduur (ook UVbestendigheid van de kleuren) nagegaan worden en voorkeur gegeven worden aan thermoplasten.
Glas blijft een milieuvriendelijker oplossing, al speelt hier natuurlijk ook het gewicht (geringere hoeveelheid materiaal) een rol.

MILIEUKADER:
milieukader 3: petrochemische oorsprong

PVC (Polyvinylchloryde)

OMSCHRIJVING:
PVC ( polyvinylchloride), is één van de oudste en meest gebruikte kunststoffen. Het is een 'gechloreerde koolwaterstofpolymeer'. Het wordt gemaakt uit et(hyl)een (uit een fossiele brandstof, meestal aardolie of aardgas) en NaCl (keukenzout).
Zuiver PVC is hard en transparant. Door toeslagstoffen worden eigenschappen als buigzaamheid en kleur aangepast.
Het eindproduct is afhankelijk van de manier van bewerken:

TOEPASSING:
Volgens bewerkingsproces:
-Extrusie: leidingen, raamprofielen, golfplaten, isolatie voor elektriciteitskabels, folies en dakgoten.
-Injectie: hulp- en verbindingsstukken, bevestigingsprofielen en computerbehuizingen.
-Coating: vinylbehang, vinylvloerbedekking.
-Blaasextrusie: flessen en flacons.
-Kalandering: een doorlopende folie.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Ontginning:
Voor de productie van 1 kg PVC is 0,7 kg aardolie, 1 kg NaCl (keukenzout) en maar liefst 3,8 liter water nodig. De ondergrondse winning van NaCl kan, net als bij de winning van olie, voor verzakking van de bodem en verstoring van bodemprocessen zorgen.

Transport:
Bij de productie van PVC wordt reactief chloor gebruikt. Tegen het transport van chloor wordt door milieuorganisaties als Greenpeace geprotesteerd, omdat het chloor mutageen (erfelijk materiaal veranderend) zou zijn, alleszins is het gevaarlijk transport.

Verwerking:
PVC wordt voor 43% gemaakt uit aardolie en voor 57% uit keukenzout. Van aardolie wordt etheengas gemaakt. Uit het zout wordt door middel van elektrolyse chloor gehaald (waarbij asbest vrijkomt).
Van etheen en chloor wordt VC (vinylchloride) oftewel VCM (vinylchloridemonomeer) gemaakt; VC(M) (ook gevaarlijke stoffen: mutageen en carcinogeen).
Via een polymerisatieproces - aan de losse VCM-moleculen wordt een katalysator toegevoegd - ontstaat het polymeer PVC, een wit poeder. Aan PVC worden additieven - weekmakers (ftalaten), stabilisatoren, vulmiddelen, kleurstoffen etc. - toegevoegd om bepaalde gewenste eigenschappen te bereiken.
Bij de productie van PVC ontstaat organochloorhoudend chemisch afval en chloor. Chloor wordt voor toepassing in andere industrieën meestal per trein getransporteerd.
PVC is statisch oplaadbaar. En trekt dus makkelijk vuil aan.

De afvalfase
-recycleren: PVC kan zowel primair (in de oorspronkelijke productvorm) als secundair (als regranulaat) worden hergebruikt.
Het PVC-afval wordt schoongemaakt en vermalen tot regranulaat. Dit oude PVC kan door de verschillende toevoegingen alleen als kern in bijvoorbeeld buizen of ramen worden gebruikt; de binnen- en buitenkant bestaat dan uit nieuw PVC. Op deze wijze is tenminste 30% primair materiaal nodig.

-storten: Als PVC-afval wordt gestort, is het onafbreekbaar. Ftalaten, zoals in folies, kunnen uitlogen in de bodem en het grondwater.

Samengevat: Er zou nog maar voor een 40tal jaren aardolie beschikbaar zijn. Het ontwikkelen van kunststoffen uit milieuvriendelijker grondstoffen en die ook beter recycleerbaar zijn geniet de voorkeur. Bij keuze voor PVC moet de levensduur (ook UVbestendigheid van de kleuren) nagegaan worden.

PPC PPC (polypropeencopolymeer) wordt steeds vaker gebruikt als vervanger van PVC in de vorm van binnen- en buitenriolering, elektriciteitsleiding en soms - in een UV-bestendige vorm - in regenpijpen en dakgoten. Het heeft ongeveer dezelfde energie-inhoud als PVC en bevat minder schadelijke stoffen. Desondanks komen ook bij de productie van deze kunststof schadelijke emissies vrij.

MILIEUKADER
Milieukader 3: petrochemische grondstoffen.

Inhoud syndiceren