Niet-gebakken steen

Leem

OMSCHRIJVING:
Leem is een mengsel van kleideeltjes,silt en fijne zanddeeltjes. De kleur van leem is afhankelijk van de metaalresten die in het materiaal zitten.
Groengrijze leem (met gereduceerd ijzer), rode leem (terracottakleur, door een hoog ijzergehalte), gele leem (okerkleurig) en witte leem (met veel kalk).

Aan leem kan cement worden toegevoegd voor een grotere sterkte en duurzaamheid.

TOEPASSING:
Een derde van de wereldbevolking woont in lemen huizen. In onze streken kennen we voornamelijk vakwerkhuizen met leem uit het verleden, maar in ecologische bouwprojecten wordt meer en meer terug met leem gewerkt. Dit zowel in de opbouw van muren als bijvoorbeeld in bepleistering en verven.

-Stroleem wordt in een houtskelet gestort en aangestampt tot een (buiten)muur. (Door het lage evenwichts-vochtgehalte (4%) is leem een materiaal dat goed met houtwerk kan gecombineerd worden).
-Leemstucwerk wordt gebruikt als afwerklaag voor de binnenmuren.
-Leemverf is een ruwere natuurverf.
-Leemsteen is een steen die met water vermetselbaar is.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Winning:
Kleinschalige winning tast het landschap slechts in beperkte mate aan. Dit is anders als de winning grootschaliger is, maar leem is nog ruim voorradig.

Transport:
Leem dat In de bouw wordt toegepast komt uit België, Nederland of Duitsland dus brengt relatief weinig transport mee.

Verwerking:
De voorbewerking van leem is gering en heeft voorzover bekend geen schadelijke gevolgen voor mens en milieu. De verwerking van stroleem is vrij arbeidsintensief maar ook onschadelijk voor de gezondheid.
Om rotten van hout en stro te voorkomen moet leem goed drogen (dit kan tot een jaar duren). Bij het drogen van leem treedt - afhankelijk van het kleigehalte - een tamelijk grote krimp op, scheurtjes kunnen dus gemakkelijk optreden. Hier kan bij het ontwerp rekening mee gehouden worden. Leem wordt hard door het verdwijnen van het water. Beton wordt hard door een onomkeerbaar chemisch proces. Hierdoor kan leem steeds herstelt of hergebruikt worden door toevoeging van water.

Gebruik:
Leem reguleert vocht en heeft een vrij grote warmtecapaciteit. Het kan weinig druk opnemen, en geen trek (wapenen’ kan met vezels of twijgen).
Bij buitenmuren moet leem beschermd worden met een pleisterlaag of een hoge fundering tegen regenwater en optrekkend vocht. Gedroogd heeft stroleem door het lage evenwichtsvochtgehalte (4%) op hout een conserverende en brandwerende werking.

De afvalfase:
Door natmaken kan leem weer worden gevormd en hergebruikt (tenzij het is vermengd met cement). Stroleem is moeilijk te hergebruiken, maar kan wel zonder problemen worden gestort.

Samengevat: afhankelijk van de bestemming is leem een zeer natuurvriendelijk materiaal. Nadeel is het onderhevig zijn aan vocht en trekkrachten, waardoor er steeds een combinatie nodig is met andere materialen (bijvoorbeeld cement, houtskellet,...).

MILIEUKADER:
Milieukader 2: oppervlaktedelfstoffen

Kalkzandsteen

OMSCHRIJVING:
Kalkzandsteen bestaat voor en 92 tot 95% uit zand en 5 tot 8% uit kalk. De stenen worden niet gebakken maar gestoomd.
Soortelijke massa van kalkzandsteen is ongeveer 2000 kg/m2.

TOEPASSING:
Te verlijmen blokken voor (dragende) binnenwanden of stenen die worden vermetseld.
kalkzandsteenblokken zijn niet geschikt voor buitentoepassingen omdat ze worden afgebroken door zuren (bijvoorbeeld door zure regen). klinkers van kalkzandsteen wel.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Winning:
De meeste (steen)kalk komt uit Duitsland en België en is ruim voorradig. Kalk is meer voorradig dan klei, waardoor hier de bezwaren van uitputting minder tellen. Kalkwinning levert dezelfde taferelen op als bij merge (aantasting van het landschap en het bijbehorende ecosysteem).
Men kan steenkalk vervangen door schelpkalk (van schelpdieren - dus aangroeibaar te noemen – maar ook eindig).

Transport:
De transportafstand (en -energie) is iets hoger dan bij baksteen.

Verwerking:
Het materiaal wordt niet gebakken maar gestoomd: de kalk gaat daardoor een verbinding aan met het zand. Dat kost minder energie dan bakken of sinteren. Bij het bereiden van kalkzandsteen komt wel veel CO2 vrij. (Verder nagenoeg geen schadelijke emissies).

Gebruik:
Kalkzandsteen heeft geen schadelijke invloed op de gezondheid. Losse kalkproducten (bijv. stukadoorkalk) zijn irriterend aan de huid.

De afvalfase:
Met de gebruikelijke cementspecie of cementlijm kunnen kalkzandsteenblokken en metselsteen moeilijk in hun hele vorm worden hergebruikt.
Door het kalkgehalte kan kalkzandsteen als puingranulaat niet in beton worden gebruikt. Vermenging met ander puin is dus niet wenselijk. Wat resteert is gebruik als materiaal voor (weg)funderingen.

Samengevat: Bij het productieproces en verwerkingsproces is kalkzandsteen milieuvriendelijker dan metselwerk in beton, baksteen, of cellenbeton. In de afvalfase heeft het net zoals cellenbeton een probleem.

MILIEUKADER:
Milieukader 2: materialen uit oppervlaktedelfstoffen.

Cellenbeton

OMSCHRIJVING:
Cellenbeton bestaat uit kwartszand, portlandcement, water, 15% ongebluste kalk en 0,06% aluminiumpoeder. Het aluminium reageert met de kalk waardoor gasbellen in het cellulair beton achterblijven.
Door zijn luchtigheid heeft cellenbeton isolerende eigenschappen. Het gewicht van cellenbeton kan variëren van 500 tot 1300 kg/m3. (normaal beton: 2000 kg/m3).

TOEPASSING:
Als dragende wand is cellenbeton enkele centimeters dikker dan andere steen. Ook toepasbaar als niet dragende wand en als vloerplaat met wapening. Alle elementen uit cellenbeton zijn prefab.
MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:


Winning:
500 kg grondstof is voldoende voor 1 m3 3 metselwerk; dat is de helft of één derde van de hoeveelheid vereist voor andere ruwbouwmaterialen. (febecel).
Een milieuvoordeel van cellenbeton is dus dat door de cellen en het ontbreken van grind minder primaire grondstoffen worden gebruikt. De milieueffecten van de andere ingrediënten blijven echter:

Portlandcement wordt grotendeels gemaakt van mergel, dat wordt gewonnen in Zuid-Limburg, in Nederland. De aantasting van het landschap is er veel groter dan het randje natuurgebied dat er voor in de plaats kwam. Open dagmijnen kunnen alleen bij kleinschaliger, plaatsgebonden winning.
Zand
Kwartszand, ook glaszand genoemd, is de meest waardevolle delfstof van Vlaanderen. De ontginningsgebieden bevinden zich enerzijds in Mol en Lommel en anderzijds in Maasmechelen. In de glasindustrie wordt kwartszand als basisgrondstof gebruikt voor verschillende toepassingen. Voorlopig is zand nog ruim voorradig.

Gebruik:
Lichter gewicht geeft zeker een voordeel in transportkosten. Cellenbetonfabrikanten leveren meestal een berekening volgens plan van de nodige diktes en balken. Hierdoor wordt, zoals gemakkelijk in de traditionele bouw gebeurt, niet te veel materiaal gebruikt. Zonder extra isolatielaag wordt dezelfde energieprestatie geleverd als een spouwmuur met een Rc-waarde van 2,5 of beter.

De afvalfase:
Als puin is cellenbeton niet recycleerbaar, een belangrijk nadeel Cellenbetonelementen zijn in hele vorm herbruikbaar als ze worden gedemonteerd (gebeurt niet in de praktijk).

Samengevat: Cellenbeton heeft een interessantere levenscyclus wanneer bijvoorbeeld gebruikt ter vervanging van een spouwmuur. Men moet het wel beschermen langs de buitenzijde (met een pleisterlaag). Binnen het ecologisch bouwen verdien kalkzandsteen de voorkeur, maar de isolatiewaarde hiervan is veel minder.

MILIEUKADER:
Milieukader 2: oppervlaktedelfstoffen

 

Beton

Beton werd al door de Romeinen gebruikt, maar in de middeleeuwen ging de kennis ervan verloren, in de negentiende eeuw werd het herontdekt in de tuinbouw. Voor bouwconstructies werd de kalk of traskalk uit het Romeinse beton vervangen door cement, afkomstig van mergelsteen.
De aluminiumverbindingen in mergel maken het materiaal geschikt voor toepassing als cement. Door het ontbreken van kalk werd het mogelijk om stalen netten of staven toe te voegen, waarmee beton veel grotere trekkrachten kan opnemen.
Beton bestaat uit cement, water, zand en grind.
(Cement en water vormen mortel, wordt daar zand aan toegevoegd, dan heet het zandcement. Pas met grind heet het beton).
Aan de basisgrondstoffen worden soms stoffen toegevoegd waarmee het beton sneller droogt, beter vloeit of andere gewenste eigenschappen krijgt.

TOEPASSING:
Zowel constructieve als niet constructieve functies, kan door toevoegingen waterdicht gemaakt worden.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Winning:
De winning van de minerale grondstoffen van beton (cement, zand en grind) tast het landschap en bijbehorende ecosystemen aan.
Portlandcement wordt grotendeels gemaakt van mergel, dat wordt gewonnen in Zuid-Limburg in Nederland. De aantasting van het landschap is er veel groter dan het randje natuurgebied dat er voor in de plaats kwam. Open dagmijnen kunnen alleen bij kleinschaliger, plaatsgebonden winning.
Hoogovencement is cement dat grotendeels bestaat uit gemalen hoogovenklinker (slakken die bij het hoogovenproces overblijven). Ook vliegasslakken, vrijkomend bij elektriciteitscentrales, worden in cement gebruikt. Vliegas bevat ook zware metalen en heeft als grootste bezwaar dat het vrij radioactief is, waardoor toepassing binnenshuis niet is aan te raden.
Zandwinning zorgt door de diepte in mindere mate voor aantasting van het landschap - het levert soms nieuwe waterrijke natuurgebieden op - maar deze diepere winning kan echt ook verstorende gevolgen hebben voor de waterhuishouding. Zand is in ieder geval wel ruim voorradig.
Grind wordt gewonnen uit rivieren en uit diepere grondlagen. Daarbij treden soortgelijke problemen op als bij de winning van zand. Bij de winning uit rivieren worden ecosystemen op de bodem aangetast. Grind is ten opzichte van zand minder voorradig. Waar sterkte minder een rol speelt kan grind vervangen worden door puingranulaat .(vermalen puin van beton en metselwerk): tot 20% zonder sterkteverlies.
In plaats van grind kunnen aan beton gesinterde kleikorrels worden toegevoegd om het lichter en isolerender te maken.
Wapeningsstaal: zie staal.

Transport:
Beton is een zwaar materiaal, dat bij transport voor een hoog energiegebruik zorgt. Daar staat tegenover dat zo goed als alle grondstoffen voor beton in Belgïe of Nederland worden gewonnen en verwerkt, waardoor de afstand van transport klein is.
De cementindustrie is vooral gesitueerd aan waterwegen, zodat de bulkmaterialen (cement, zand en grind) per schip kunnen worden aangevoerd, wat de milieueffecten van transport beperkt.

Verwerking:
Silica (een verzamelnaam voor steenstof), komen vrij bij de winning en productie van steenachtige materialen. Deze kunnen zoals bij cement, bij werknemers in de fabriek of op de bouwplaats 'stoflongen' veroorzaken. Andere chemische toeslagstoffen kunnen in geval van contact irritatie veroorzaken.
Uit milieuoverweging heeft men de voorkeur om prefab beton toe te passen, dit geeft minder afval en is ook demontabel.

Gebruik:
Als geen stoffen met een hoge radioactiviteit of zware metalen zijn toegepast, die kunnen vrijkomen bij boren in beton, zijn de gevolgen voor de menselijke gezondheid binnenshuis gering. Nadeel van beton is dat het niet isolerend werkt en in een buitenconstructie extra moet afgewerkt worden tegen koudebruggen. Beton heeft een koud oppervlak, dat onprettig aanvoelt en voor koudestraling zorgt, dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld hout.

De afvalfase:
Hoogovencement heeft een wat hogere radioactiviteit, en het bevat uit de slak sporen van zware metalen, die bij boren (gebruiksfase) en breken van beton (afvalfase) kunnen vrijkomen. Tenzij demontabel in elkaar gezet, met prefab bouwelementen, is beton niet in oorspronkelijke vorm te hergebruiken. Het slooppuin wordt daarom meestal gebroken, het wapeningsstaal verwijderd, en het betonpuin vermalen tot puingranulaat.

Samengevat: Voor constructie van gebouwen wordt vanuit milieuvriendelijk oogpunt steeds hout aangeraden. Hierbij wordt de constructie meestal tegen vocht afgeschermd met een kruipkelder. Bij gebruik van beton en staal dienen zoveel oppervlaktematerialen worden ontgonnen dat men afraadt hier veel van te gebruiken.
Alternatief is in ontwikkeling en reeds beperkt op de markt: vb. beton gewapend met vlasvezels.

MILIEUKADER:
Milieukader 2: oppervlaktedelfstoffen.

Gips

OMSCHRIJVING:
Gips is een verbinding van calciumsulfaat met kristalwater. Deze verbinding vindt men in de natuur en als reststof ontstaat bij industriële processen.
Er bestaan verschillende soorten industriële afvalgips (zoals fosforzuur-, fluoro-, magnesiumoxide- en rookgasontzwavelingsgips), die afkomstig zijn van het 'wassen' van afvalgassen in de industrie. Rogips is afkomstig van elektriciteits- en vuilverbrandingsinstallaties.
Van de genoemde afvalgipsen wordt in de bouw vooral rookgasontzwavelingsgips (rogips) toegepast.

Gipskartonplaten:  bestaan uit een kern van zuiver gips omhuld door een laagje karton. Gipskartonplaten zijn lichter in gewicht en minder stijf dan gipsvezelplaten, daardoor zijn ze makkelijker te verwerken.
Gipsvezelplaten: bestaan uit een mengsel van gips en cellulose (afkomstig van oud papier of houtvezel). Ze zijn sterker, beschadigen minder snel en zijn ook beter bestand tegen vocht dan gipskartonplaten.

TOEPASSING:
Voordeel is dat gipsplaten brandwerend en brandvertragend zijn. De platen zijn relatief breekbaar en niet vochtbestendig (er bestaan wel platen voor in vochtige binnenruimten). Gipsplaten worden dan ook alleen voor binnentoepassingen gebruikt.
Vooral voor wanden en plafonds: gipsplaten op houten of metalen regelwerk en ook als bepleistering (kan ook gespoten worden).
Anhydriet voor dekvloeren bevat ook gips.

Gipsblokken zijn, in verband met oplossingsmogelijkheid en beperkte vorstbestendigheid (door de porositeit), minder geschikt voor buitentoepassingen.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Winning
Natuurgips wordt gewonnen in Frankrijk en Duitsland en heeft als nadeel dat bij winning aantasting van het landschap plaatsvindt.
Vroeger werd afvalgips vaak gestort (in zee); tegenwoordig worden deze restmaterialen nuttig toegepast.

Transport
Afvalgipsen zijn afkomstig van de eigen industrie en hoeven dus niet ver te worden getransporteerd.

Verwerking
Van de verwerking van natuurgips zijn weinig milieubelastende of gezondheidsaantastende effecten bekend. Afvalgipsen zijn op zich al chemisch vervuild en kunnen bij verdere verwerking nadelige gezondheidseffecten hebben.

Gebruik
Begin jaren tachtig was de afgifte van radongas (radioactief) uit gips in het nieuws. Dit radongas kwam voornamelijk vrij uit fosforgips, een gipssoort die afkomstig is uit de productie van fosfaten voor de kunstmest- of wasmiddelenindustrie. Deze gipssoort wordt niet meer gebruikt in gipsplaten of gipsblokken. Uit de andere gipssoorten komt een verwaarloosbare hoeveelheid radongas vrij, vergeleken met de hoeveelheid radongas die van nature in de bodem aanwezig is.

Rogips heeft in tegenstelling tot die gipssoorten geen hoge radioactiviteit. Het is dus een prima restmateriaal om in de bouw toe te passen.

De afvalfase
Zelden wordt gips in zijn oorspronkelijke vorm uit een gebouw gehaald: blokken zijn beschadigd; platen gebroken. Direct hergebruik is dus, hoewel theoretisch mogelijk, in de praktijk moeilijk te realiseren.
Gipsblokken, gips(karton)platen en gipsspuitwerk moeten eigenlijk worden verwijderd voordat de rest van het gebouw wordt afgebroken.
Anhydriet kan van een onderliggende vloerconstructie worden losgehouden door een folielaag.
Bij sloop moeten gips en anhydriet apart worden gehouden van beton- en metselwerkpuin, omdat het zachte gips de kwaliteit van puingranulaat negatief beïnvloedt. Bovendien kunnen gips en anhydriet water opnemen en zwellen. In de afvalfase kan gips dus alleen maar worden gestort.

samengevat: gips hoeft niet ver getransporteerd te worden als het om afvalgipsen gaat. (vroeger werden deze in zee gestort). Het spreekt vanzelf dat als deze al vervuild zijn of schadelijke stoffen bevatten, het gebruik en de afvalverwerking afgeraden wordt. In de ecologische bouw wordt gipsbepleistering meestal vervangen door leem.

MILIEUKADER:
Milieukader 2: Materialen uit oppervlaktedelfstoffen.

Inhoud syndiceren