Nagroeibare grondstoffen

Composteerbaar kunststof

OMSCHRIJVING:
Composteerbaar kunststof wordt gemaakt van aardolie of hernieuwbare materialen, zoals zetmeel uit maïs of aardappelen. Plastic van deze laatste bron heet ook wel bio-plastic.
Deze kunststoffen komen dus voort uit natuurlijke, hernieuwbare grondstoffen en niet langer uit synthetische producten

TOEPASSING:
Tegenwoordig worden ze meest gebruikt voor verpakkingen in plaats van folies zoals PE (polyetheen), PP (polypropeen) en PS (polystyreen).
Maar ook in de designsector vinden ze hun opmars als biopolymeren.

MILIEUOVERWEGINGEN:
De milieuwinst van bioplastics zit in het verschil in grondstoffengebruik, niet in het composteren. Tijdens het composteringsproces valt een composteerbare verpakking namelijk uiteen in water en CO2 - het levert verder geen compost op.

afval:

Bij verbranding leveren composteerbare verpakkingen nog energie op. Aangezien de plantaardige grondstoffen niet eindig zijn, gaat het hier om een vorm van duurzame energie.

Composteerbaar materiaal op basis van aardolie levert dus geen milieuvoordeel op.

Samengevat: Composteerbare verpakkingen zijn gemaakt van aardolie (synthetische composteerbare polyesters) of plantaardige materialen. Dus de oorsprong is niet altijd milieuvriendelijk. Een composteerbare verpakking van eetwaren is herkenbaar aan het kiemplantlogo.
Sommige bekers op evenementen zijn composteerbaar, maar het blijft de kunst ze apart in te zamelen.
Voor toepassing in meubels of interieurs zijn er nog enkele nadelen: ze zijn niet te kleuren en ze zijn niet sterk. Het blijft dus de uitdaging naar ontwerpers en onderzoekers het materiaal te verbeteren.


MILIEUKADER
milieukader 1: hernieuwbaar
milieukader 3: op basis van aardolie

Leder

Leer ontstaat door het bewerken van dierenhuiden, meestal van koeien (rundsleer, kalfsleer,…). Leer is dus een natuurproduct, geen enkle stuk is oorspronkelijk hetzelfde. Door de verschillende wijzen van looien maakt men verschillende soorten leder. Door toevoeging van chemicaliën bepaalt men ook de technische eigenschappen die het later zal hebben.

TOEPASSING:
Van de mooiste huiden wordt meubelleder gemaakt. Veel leer wordt gebruikt voor het maken van schoenen.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Winning:
Leer is milieuvriendelijk als de fabriek aan afvalwaterzuivering doet; dat is voor Europees leer beter geregeld dan voor leer van buiten dit continent. Ook plantaardig gelooid leer en Alcantara zijn minder milieubelastend.
 

Transport:
Italiaanse looiers staan meest bekend om hun kwaliteit. Engeland werkt is nummer 1 voor autobekleding ("Conolly"-leder). Meubelleer komt vooral uit Zweden, Frankrijk en Spanje. Landen als India, Pakistan en vooral China brengen goedkoop, minder kwalitatief leer op de markt.

Verwerking:
Het belangrijkste milieuaspect bij de productieketen van leer is het looiproces. Door het looien worden de eiwitten in de huid onoplosbaar gemaakt. Wanneer leer nog op de traditionele manier gelooid wordt met chroomzouten, blijft het -ook als men het chroom uit het afvalwater haalt- een zeer milieuonvriendelijk proces. Ander looierijen zijn overgestapt naar plantaardige, looistoffen.
Hierbij wordt meer slib afgezet, maar het blijft het milieuvriendelijkst.
De dikte van de huiden wordt daarna via een schuurmachine gecontroleerd, waarbij oneffenheden in de huid worden weggeschuurd.


Gebruik:
Ieder stuk huid is uniek. Kleine littekens, schrammen, steken van insecten en verschil in dichtheid van de poriën geven het leder steeds weer andere nuances. Door deze natuurlijke kenmerken van de huid ontstaan eveneens nuances in de kleur.
Leer wordt gebeitst met aniline kleurstoffen. Kleurnuances ontstaan doordat niet alle delen van de huid evenveel kleurstof opnemen.
Door het machinaal kneden van het leder (walken) worden de huiden weer soepel.
Gelakt leer wordt verkregen door het spuiten reeds geverfde huiden met kleurlak op waterbasis. Daardoor is het leer slijtvaster. De laklaag beschermt het leder ook tegen inwerking van vocht, transpiratie en vet.

De afvalfase: Van afvalleder wordt nieuw leer gemaakt. Dikwijls worden hier dan dikke verflagen op aangebracht. Maar het is vooral de nabehandeling met verf die het leer dikwijls niet meer herbruikbaar maakt.

Samengevat: Dieren worden zowel voor vlees als leer gekweekt, dit neemt enorm veel land in en zorgt voor nitraten door overbemesting (zie ecologische voetafdruk). Europees leer is milieuvriendelijker geproduceerd dan leer uit Aziatische landen. Vooral plantaardig gelooid leer en Alcantara zijn minder milieubelastend. Vele mindere leersoorten zijn zwaar bewerkt om fouten te verdoezelen en worden nog steeds leer genoemd. Deze zijn niet duurzaam.

MILIEUKADER:
Milieukader 1: nagroeibare grondstoffen.

 

Zijde

Zijde is een natuurlijke eiwitsubstantie die wordt afgescheiden door bepaalde insecten en stolt bij contact met de lucht. Zijde voor textiel komt van de zijderups, maar er zijn ook bepaalde spinnen die geschikt zijn voor zijdeteelt.
Chemisch gezien lijkt zijde sterk op wol. Maar zijdedraad is veel fijner en gladder. In tegenstelling tot wol is zijdegaren glad (geen kroezing) en heeft het geen geschubde structuur, waardoor het glanst. Zijdedraad is het fijnste van alle natuurlijke vezels.

TOEPASSING:
Kleding, beddengoed, woontextiel, vulling voor dekbedden.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Winning:
Natuurzijde:
Rupsen worden gekweekt voor zijde. De Bombyx Mori rups wordt het meeste gebruikt omdat ze een cocon spint van een extra lange draad. De draad kan tot 3500 meter uitgerold worden.De rups spint een cocon om daarin vlinder te worden. De productie van zijde is niet diervriendelijk: de verpopte rupsen worden gedood door middel van hete dampen of ondergedompeld in kokend water om te voorkomen dat bij het ontpoppen de draden breken. Hierdoor wordt de lijmstof die de rupsen aanmaken wanneer ze zich inspinnen losgeweekt.
Wilde zijde: Bij wilde zijde worden de cocons van uitgevlogen vlinders gebruikt als grondstof. Dit is de meest milieu- én diervriendelijke zijde.

Transport:
China is met een productie van 72.000 ton ruwe zijde per jaar wereldwijd een koploper. Andere zijdeproducerende landen als India, Japan, de voormalige Sovjet Unie en Brazilië komen er ver achteraan. In Italië, Spanje, Frankrijk en Zwitserland wordt ook nog steeds, in veel mindere mate, zijde geproduceerd

Verwerking:
Voordat de zijde wordt geweven, wordt eerst de lijmstof uit de zijde gekookt (ontbasten). Het gewicht van de zijde neemt hierdoor sterk af. Om dit effect tegen te gaan wordt de zijde soms verzwaard, deze is dan doffer en wordt behandeld om dit tegen te gaan.
Ruwe zijde is meestal wel geverfd maar niet gekookt.
Tussahzijde is doffer dan natuurzijde en laat zich minder gemakkelijk verven.
Van de kortere draden uit het binnenste en buitenste gedeelte van de cocon wordt de zogenaamde Chappezijde gemaakt. Bourettezijde wordt gemaakt van de afvalresten van de cocon. Deze zijde glanst nauwelijks.

Gebruik:
Zijde is zowel sterk als elastisch. Wilde zijde kan tot 40% vocht opnemen zonder dat de stof vochtig aanvoelt. Het beschikt tevens over iso-thermische eigenschappen waardoor het bij warm weer koel aanvoelt en bij koud weer juist behaaglijk warm. Verder is zijde weinig gevoelig voor schimmels en motten.
Nadeel: verkleuring door zonlicht en hoge temperaturen.

Sand-washed zijde heeft als voordeel dat het minder krimpt en kreukt en dus machinewasbaar is.
In meubelstoffen wordt zijde vanwege de dunne vezel bijna altijd gemengd met andere garens voor het beter onderhoud.

De afvalfase:
Zijde kan best gerecycleerd worden of herbruikt.

Samengevat: In meubelstoffen of gordijnen heeft zijde een typische glans en zachte uitstraling. Wilde zijde is aan te raden omwille van de diervriendelijker productie. Voor meubelstof wordt zijde best behandeld met een vuilafstotend middel.

MILIEUKADER:
Milieukader 1: nagroeibare grondstoffen.

Linnen

Linnen is afkomstig van vlas. Vlas is een eenjarige plant die in de variatie textielvlas en olie-houdend vlas (lijnzaad, lijnolie als basis voor natuurverven en linoleum) voorkomt.

TOEPASSING:
stoffen, touw, beddegoed, kleding, behanglinnen.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Winning:
In tegenstelling tot de katoenteelt is voor de  vlasteelt zeer weinig bestrijdingsmiddel en geen kunstmest nodig. Bestrijdingsmiddelen tegen insecten zijn niet nodig en er kan mechanisch onkruid worden verwijderd. Alle delen van de plant kunnen worden gebruikt.

Transport:
Vlas wordt ook in Vlaanderen en Nederland gekweekt, maar tweederde van het vlas wordt in China verwerkt en een derde in Europa, vooral in de voormalige Oostbloklanden.

Verwerking:
Voor de productie van katoen is vier maal zoveel water nodig als voor linnen. Er komen ook veel minder toxische stoffen vrij omdat het vlas (bijna) niet behandeld werd. Om de vezels uit de gedroogde vlasplant te halen, moeten ze in water rotten (roten). Het water dat daar uitkomt is 100% organisch, maar wel vervuilend voor rivieren (het lozen in de rivieren is verboden in Europa, niet in China). Nadat de vezels uit het vlas gehaald zijn, worden ze gesponnen, geweven en geverfd. Roten op de akker in plaats van in water en chloorvrij bleken, zijn enkele voorbeelden van milieuvriendelijke technieken die meer en meer gebruikt worden.
Ecologisch linnen wordt vervaardigd zonder bleekmiddelen, verfstoffen of chemische afwerkingproducten. Voor alle stoffen is het brandveilig maken nog niet ecologisch te doen.

Gebruik:
Het meest bekende nadeel van linnen is dat het kreukt, ook na een anti-kreukbehandeling. Het heeft een goed vochtopnemend en vochtdoorlatend vermogen. De stof heeft ook anti-allergene eigenschappen.

Afvalfase:
Linnen is duurzamer en gaat langer mee dan katoen. De linnenvezel is volledig bio-afbreekbaar en wordt tegenwoordig ook gerecycleerd.
samengevat: Linnen is een natuurlijke en milieuvriendelijke keuze voor stoffen als men kiest voor Europees linnen. Er zijn amper extra behandelingen nodig omdat de vezel op zich al een stevige structuur heeft. Het kreuken van linnen moet men erbij nemen, hoe meer extra behandelingen, hoe minder milieuvriendelijk.

MILIEUKADER:
Milieukader 1: nagroeibare grondstoffen.

Bamboe

Bamboe (Chinese reuzenbamboe) is een verhoute grasplant die zeer snel groeit. Na 4à5 jaar kan al geoogst worden. Bamboeplanten zijn in hun geheel te gebruiken: de stammen als constructiemateriaal, de bamboescheuten worden gegeten, de bladeren als diervoeder en de zijtakken voor vlechtwerk en textiel.
Bamboe compacte vezelstructuur geeft dat bamboe als bouwmateriaal minder zet en krimpt dan de meeste houtsoorten.
Bamboe kleding wordt ook wel 'airco kleding' genoemd: door de microgaatjes, ademt het, plakt niet en geeft zelfs verkoeling. De warmte isolatie en vochtopname is bijna gelijk aan katoen. Het is ook bacteriewerend en reukvrij.
Er bestaat stof volledig uit bamboevezels, maar meestal wordt er 30% katoen mee verwerkt.

TOEPASSING:
Constructie (in Aziatische landen oorspronkelijk het bouwmateriaal van de armen), parket, meubels, panelen, stoffen, kleding.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Winning:
Bamboe groeit vooral in Azïe, bamboe hier komt meestal uit China. Verschillende Belgische importeurs hebben een overeenkomst met WWF voor de bescherming van de panda’s die ervan leven (deze leven trouwens niet van de reuzenbamboe, maar van kleinere soorten). Bij het oogsten van bamboe blijven zowel jonge als oude scheuten staan zodat het land niet erodeert en er ook geen ontbossing plaatsvindt. Er is alleen zonlicht nodig voor de groei en geen bestrijdingsmiddelen.
De vezels worden mechanisch geplet om er stof van te maken. Omdat de afname van bamboe enorme groei kent, en de productie van bamboestof bijna alleen in China gebeurt, zijn de arbei het enige mogelijke minpunt de arbeidsomstandigheden.

Transport:
Enige nadeel van bamboe is het verre transport (wat met vele houtsoorten zo is).

Verwerking:
Gezien geen bestrijdingsmiddelen worden gebruikt, moeten ze ook niet verwijderd worden. In een schaafbank wordt de schil verwijderd. De stammen worden in de lengterichting in strips gezaagd. Na droging worden de strips nog eens geschaafd en behandeld. Bamboe met natuurkleur wordt gekookt, bamboe met eerder bruine kleur wordt gestoomd waardoor de natuurlijke suiker in het bamboe oxydeert. Andere kleuren worden verkregen door een combinatie van hitte en druk.
Dan worden de stroken verlijmd met verschillende mogelijke patronen. De lijm is watergedragen met norm E1.
Bamboe heeft een uniek bestanddeel dat bacteriën en schimmels weghoudt. Bij andere stoffen worden hiervoor chemische stoffen toegevoegd.

Gebruik:
Bamboe stof is bovendien ook nog van nature antibacterieel en hypoallergeen. Het geeft in de zomer ook enkele graden meer verkoeling dan katoen.
De stof is streelzacht (lijkt op zijde), kreukvrij, ademend en reukvrij.

De afvalfase: Bamboe is van nature volledig afbreekbaar en dus in het geheel niet milieuverontreinigend. Zoals bij hout is ook hier de afwerking (bij behandelen met verf of vernis) de boosdoener bij verwerking tot nieuw materiaal of compostering.

Samengevat: Zolang de grondinbeslagname niet spectaculair stijgt door de enorm groeiende vraag naar bamboe, kunnen we aan het product geen negatieve milieu eigenschappen toekennen. Vooral bij de behandeling ervan met lijm en vernis kiest men best watergedragen producten.

MILIEUKADER:
Milieukader 1: nagroeibare grondstoffen.

Wol

Scheerwol is afkomstig van de vacht van schapen. Wol kan ook worden herwonnen uit afgedankte kleding en stoffen. De kwaliteit en eigenschappen van de wol zijn afhankelijk van het schapenras (Merino, Crossbed, Cheviot). Om bepaalde kwaliteiten te verkrijgen wordt deze wol ook vaak gemengd.
De beste eigenschappen van wol zijn de warmte-isolatie en de veerkracht door kroezing en elasticiteit. Het materiaal ademt dankzij de moleculaire opbouw van de vezel.

TOEPASSING:
kleding, meubelbekleding, isolatie.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Winning:
Bij de wolproductie worden pesticiden gebruikt, om de schapen tegen parasieten te beschermen.

Transport:
Australië en Nieuw-Zeeland rond zijn de grootste wol-exporteurs ter wereld. De hoge ammoniakconcentraties afkomstig van schapenmest en het nitraat schaden het milieu.
 Bij het transport van wol worden chemische middelen ingezet om motten, parasieten en schimmels te weren. Tijdens de verwerking worden deze chemicaliën, samen met het wolvet en plantenresten, uit de wol gespoeld. Dit zorgt voor verontreinigd water.

Verwerking:
De verdere veredeling en het verven van wol zorgt door uitspoeling ook voor de nodige milieubelasting, als dit water niet gezuiverd wordt.
Schapenwol wordt ook gebruikt als isolatiedekens en is dan een restmateriaal van schapenhouderijen. De woldekens worden tegen dierlijke en plantaardige aantasting (schimmels) behandeld. Door middel
van droge non-woven productietechnieken
(vernaalding) worden viltvliezen geproduceerd
zonder dat hiervoor bindmiddelen worden gebruikt.

Gebruik:
Wol neemt gemakkelijk vocht (zweet bijv.) op zonder vochtig aan te voelen en geeft dat langzaam terug af. Voor meubelstoffen is dit ook van belang bij het verven.
Over het algemeen is wol (afhankelijk van de verfmethode) goed lichtbestendig.

De afvalfase:
Wol is makkelijk te hergebruiken. Bijvoorbeeld door te vilten wordt wol een nieuw leven gegeven. Maar stoffen kunnen ook hergebruikt worden.

Samengevat: Bij stoffen is de levenscyclus zeer moeilijk te vergelijken. De katoen gebruikt en vervuilt enorm veel grond en water, ook voor wol worden veel chemische middelen ingezet. De schapen worden primair meestal ook voor vlees gekweekt. In de milieuclassificaties (nibe) heeft wol een betere score omdat het een zeer lage verontreiniging en energiegebruik heeft.

MILIEUKADER:
Milieukader 1: nagroeibare grondstoffen.

 

Katoen

Katoen is afkomstig van katoenplanten, deze zijn zeer geschikt voor grootschalige productie en verwerking. Er bestaan talloze stofvarianten gebreid of geweven van katoen, verkrijgbaar in vele kleuren en dessins.
Katoen een goed vochtopnemend en vochtdoorlatend vermogen, waardoor het gebruiksvriendelijk is.

TOEPASSING:
Kleding, bekleding meubels, gordijnen, stof, touw, isolatiemateriaal.

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Winning:
De helft van de totale mondiale vezelproductie voor kleding en textiel is katoen. Met zaadveredelingstechnieken hopen boeren recordoogsten te behalen, daarom verbouwen vele boeren katoen in monocultuur. De traditionele katoenteelt gebruikt veel bestrijdingsmiddelen en kunstmest en verbruikt grote hoeveelheden water.

Transport:
Voor vele ontwikkelingslanden is katoen één van de belangrijkste exportproducten. Ook katoenen kleding komt meestal kant en klaar vanuit deze landen. Nu 70% van de textielproductie, in 1980 nog 30%).

Verwerking:
Ook het koken, bleken, wassen en kleuren van textiel is zeer milieubelastend. Zeker in ontwikkelingslanden belanden die vervuilende stoffen in het water. Ook de arbeidsvoorwaarden zijn vaak onmenselijk.
De katoenverwerkende industrie is bijna volledig geautomatiseerd. Spinnerijen en weverijen kunnen in korte tijd grote hoeveelheden verwerken. Af en toe wordt er in goedkoop afgewerkt textiel nog resten van chemicaliën aangetroffen.

Gebruik:
Katoen bevat soms sporen van het bestrijdingsmiddel lindaan, dat toxische reacties kan veroorzaken. Kleurstoffen en micro-organismen kunnen allergische reacties veroorzaken. Katoen is niet kreukherstellend, het neemt zowel in als om de vezel gemakkelijk vocht op en kan krimpen.
Om deze nadelen te verminderen en toch een natuurlijk uitzicht te bewaren, worden natuurvezels ook gemengd met synthetisch garen bijv. viscose-katoen-menging.

De afvalfase:
Katoen wordt meestal apart ingezameld met bruikbare kleding en stoffen. Natuurlijke katoenvezels kunnen worden gerecycleerd, maar worden meestal verbrand omdat ze dikwijls verbonden zijn met synthetische vezels.

Samengevat: De milieu-impact van textielproducten is vooral het gevolg van de processen die de vezels doorlopen na de eigenlijke fabricatie: bleken, kleuren, bedrukken, confectioneren. Textielfabrikanten die het ecolabel willen krijgen moeten bewijzen dat slechts een minimale hoeveelheid chloorverbindingen, metalen of milieuschadelijke kleurstoffen in het afvalwater terechtkomen.
Verschillende kleding en stoffenmerken hebben een biokatoenlabel of is 'eerlijk katoen' met keurmerk Max Havelaar. Meest verspreid is het Europees ecolabel (bloemetje).

MILIEUKADER:
Milieukader 1: natuurlijke grondstoffen.

 

 

Latexschuim

Latex of schuimrubber (cellulair rubber) kan van natuurlijke oorsprong zijn, maar wordt ook chemisch (uit aardolie) vervaardigd. Meestal is latex een mengeling van beide.

Europese norm: met minimaal 40% natuurlatex kan een matras natuurlatex worden genoemd. Zwitserse norm: met min. 85% natuurlatex mag een schuimrubbermatras als natuurlatex worden verkocht.
Synthetische latex is veel minder poreus dan natuurlijk.

TOEPASSING:
Meubels, autobanden, chirurgische handschoenen, condooms,…

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Winning:
Natuurlatex is afkomstig van melk uit de rubberboom (meestal uit Zuidoost-Azïe). Bij het vers afgetapt latex wordt ammoniak gevoegd en enkele keren gecentrifugeerd.

Productie:
Natuurlatex ondergaat een aantal minder natuurvriendelijke chemische bewerkingen voor het kan worden verwerkt. Het wordt verhit met o.a. zwavel en dan gevulcaniseerd. Daardoor ontstaat er een ondoordringbare rubberachtige stof.
Het afvalwater afkomstig van dit proces is vermengd met zwavel, zinkoxide, accelerators en anti-oxidanten. In Europa zijn hiervoor slechts enkele fabricanten.
Latex wordt ook via chemische weg uit nafta (mengsel van koolwaterstoffen, dat ontstaat bij het destilleren van ruwe olie) geproduceerd.

Verwerking:
De gaten in latexschuim komen van holle pennen die bij productie op de mallen zijn gemonteerd, zodat bij het koken in 115 graden heet water (de vulcanisatie) dit water zorgt voor een gelijkmatige uitharding van het latexschuim.
In een matras worden zo dikkere en dunnere holle pijpen gebruikt om zones in de matraskern te maken die het schuim respectievelijk zachter of harder maken. Deze zones kunnen dan afgestemd worden op het verschillend gewicht van de lichaamsdelen die erop rusten.

Gebruik:
Het aantal mensen allergisch aan latex groeit. Dit is meestal aan gebruiksproducten die uit Latex gemaakt zijn, nooit aan matras- of meubelschuim. Latex is buigzaam en elastisch, ondersteunt het lichaam, maar geeft weinig bewegingsvrijheid.
De grootste vernieler van matrassen met schuim is transpiratievocht. De matras vergeelt en gaat minder lang mee door de zuren en afvalstoffen in het zweet. Latex ventileert niet goed en neemt weinig vocht op. Van temperatuur past het zich aan aan de temperatuur van het lichaam. In een koude ruimte voelt latex ook koud aan.

De afvalfase:
Restafval bij de productie en snijresten worden via een proces van vervlokking en toevoeging van een bindmiddel, verwerkt tot blokken van verschillende afmetingen, kleuren en densiteiten. Deze worden dan akoestische isolatie of opnieuw meubel- en matrasvulling.
Recyclage wordt minder toegepast bij Latex. De meeste matrassen en meubels zonder metalen veren worden in stukken gesneden en verwerkt tot pellets voor energieopwekking van de verbrandingsovens.

Samengevat: natuurlatex is het meest milieuvriendelijke schuim, nochtans is het behandelingsproces zeer vervuilend. Het is op zich ook harder dan synthetisch latex, waardoor men meestal een mengeling met synthetisch aantreft. De levensduur van een latexmatras bijvoorbeeld: natuurlatex: 7 jaar, synthetisch: 10 Jaar.
Ook bij deze schuimen speelt de levensduur de grootste rol bij de keuze.

MILIEUKADER:
Milieukader 1: uit nagroeibare grondstoffen (natuurlatex)
milieukader 3: uit petrochemische stoffen (synthetisch latex)

 

cellulose-isolatie

OMSCHRIJVING:
Cellulose-isolatie wordt gewonnen uit gerecycleerd papier. Celluloseplaten worden gebonden met lignine en hars die uit de productie zelf komt.
Borax en boorzouten worden toegevoegd om het brand- en schimmelwerend te maken.

TOEPASSING:
Isolatie voor muren, daken, vloeren. Zowel als geluid- als warmte-isolatie.
-Het losse materiaal wordt (door professionele bedrijven)ingeblazen in de te isoleren compartimenten. Het is dus ook voor naïsoleren van spouwen en daken geschikt.
-Cellulose bestaat ook in platen.
-Tegen verticale halfopen wanden wordt het gespoten mits toevoeging van een weinig water.
(In Duitsland reeds veel gebruikt in de woningbouw, in Vlaanderen meer en meer in houtskeletbouw en renovatiesector).

MILIEUOVERWEGINGEN:
Levenscyclus:

Winning:
Cellulosevezels worden gemaakt uit snippers van oud krantenpapier, soms ook vezels van houtsnippers. Zowel afval als gebruik van nieuw materiaal wordt vermeden. Het productieproces is zeer eenvoudig.

Transport:
Het materiaal komt meestal uit Duitsland, waar weinig transport voor het basismateriaal gebeurd.
Verwerking
Bij het inblazen moet men zich beschermen met stofmaskers, bril en beschermkledij wegens stof en boorzouten. Eenmaal in rust is er geen gevaar.
Het materiaal prikt niet en geeft geen irritaties aan huid en luchtwegen.
Het materiaal is luchtdoorlatend. Aan de koude zijde blijft de constructie damp-open; aan de warme zijde wordt een dampremmend bouwpapier aangebracht.

Gebruik:
Door hun hoge dichtheid hebben isolatiematerialen op basis van cellulose een groot warmteaccumulerend vermogen.
Cellulose kan tot 20% van zijn massa aan water opnemen, zonder dat de isolerende waarde in het gedrang komt.

De afvalfase:
Cellulose-isolatie is een recyclageproduct, dat relatief weinig productie-energie kost en afbreekbaar is bij storting. Enkel de kranteninkt kan een probleem geven qua vervuiling.

Samengevat: Cellulose-isolatie kent vooral in de renovatiesector een opmars. Ideaal voor het naïsoleren van (houten) vloeren, wanden en daken.

MILIEUKADER:
Milieukader 1: hernieuwbare grondstoffen

Hout

Op de website van het Belgische Woodforum kan je allerlei informatie vinden over hout, de eigenschappen van dit materiaal, ondersteunende informatie die je kan helpen bij het maken van een geschikte keuze voor bepaalde toepassingen, technische fiches van de meest courante houtsoorten, etc...

Verschillende houtsoorten staan op deze site beschreven. 

Inhoud syndiceren